Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beweerden, dat hij groene oogen en rood haar had — en geen groot man , allerminst een staatsman met een ruimen, ver reikenden blik.

Zoowel ten aanzien van staatkundige als van zedelijke beginselen, was hij bekrompen in zijne opvatting; steeds zweefde het ideaal van «den goeden ouden lijd" hem voor het oog en op de lippen; eigenzinnig verachtte hij alles wat nieuw heette. Door zijne gestrengheid jegens zich zelf achtte hij zich gerechtigd tot meedoogenlooze hardheid en scherpte tegen alles en allen; hij was ingetogen en rechtschapen, maar vermoedde in de verte niet, dat boven de maatschappelijke orde en de eerlijkheid in den dagelijkschen handel en wandel nog een andere hoogere plicht kon bestaan. Hij was niet alleen een vijand van alle schurkerij en alle laagheid, maar ook van alle bevalligheid en alle genialiteit en boven alles de vijand zijner vijanden. Nooit heeft hij. tengevolge van dit alles, eene poging gedaan om de bronnen van het kwaad te stoppen, en zijn leven lang tegen niets anders dan tegen verschijnselen en voornamelijk legen personen strijd gevoerd.

Wel zagen de regeerende heeren met trotsche minachting op dien keffer van lage afkomst neer en meenden zij. — wellicht niet geheel ten onrechte — dat zij veel verder zagen dan hij; maar de bedorven elegante wereld binnen en buiten den senaat sidderde toch heimelijk voor den ouden zedenmeester met zijn lieren republikeinschen geest, voor den met lidteekenen bedekten veteraan uit den oorlog met Hannibal, voorden invloedrijken senator en den beschermer van den Romeinschen boerenstand. Zijn aanzienlijken ambtgenooten hield hij den één na den ander in het openbaar zijn zondenregister voor, ofschoon hij bel daarbij met de bewijzen niet al te nauw nam en hij dit met een bijzonder genoegen hun deed. die hem persoonlijk gekrenkt of uitgetart hadden. Even onbeschroomd verweet hij openlijk ook der burgerij elke nieuwe onrechtvaardige of onbetamelijke handeling. Zijne bittere en scherpe aanvallen verwekten hem een onnoemlijk aantal vijanden en met de machtigste adellijke centuriën van zijn tijd, die der Scipio's en Flamininussen, leefde hij in eene stille, maar onverzoenlijke veete. Vier en veertig maal is hij openlijk aangeklaagd. Maar de boerenstand — en dit bewijst, boe krachtig nog in die dagen in den boezem van den Romeinschen middelstand dezelfde geest werkte, die Rome in staat had gesteld de nederlaag bij Cannae te boven te komen — liet, zoo dikwijls het op eene stemming aankwam, den onverschrokken voorstander eener hervorming nooit vallen. Ja, toen Cato in het jaar 18i met zijn adellijken geestverwant Lucius Flaccus naar het ambt van censor dong en vooruit aankondigde, dat zij voornemens waren om, zoodra zij dat ambt bekleedden, eene doortastende zuivering van de zeden der burgerij in hoofd en leden tot stand te brengen, werden de beide gevreesde mannen door de burgerij gekozen, in weerwil van alle krachtsinspanning van de zijde des adels en deze moest het aanzien, dat inderdaad de groote reinigingsplechtigheid plaats greep."

Cato heeft door zijne censuur nog langen tijd te Rome van zich doen spreken; want de ruwe boer — als zoodanig beschouwden hem de aanzienlijke edelen — tastte met ijzeren hand toe om de ingeslopen misbruiken te keer te gaan. Wij hebben reeds gezien, dat hij Lucius Quinctius Flamininus uit den senaat verwijderde. Wegens geringe misstappen trof dit lot nog zes andere senatoren, terwijl aan enkele edelen het paard — het voorrecht der ridders — ontnomen werd. Niet minder gestreng ging hij tegen de pachters der geldmiddelen te werk.

Te Rome bestond de gewoonte de inkomsten der tollen te verpachten en de openbare werken aan aannemers tegen eene bepaalde som op te dragen. De senatoren trokken hiervan partij, deels om aanhangers onder de rijke burgers te winnen, deels om bunnen medeleden in de ridderschap, den geldadel, winstgevende ondernemingen te verschaffen, in welker voordeelen de senatoren nu en dan zelf deelden.

De verpachtingen hadden geheel naar gunst en willekeur, niet overeen-

Sluiten