Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komsti" de waarde van het verpachte voorwerp plaats. Cato en Flaccus sloegen0 een anderen weg in: zij verpachtten de tollen aan hen, van wie zij daarvoor het hoogste bedrag ontvingen, terwijl de openbare werken aan hem werden toegewezen, die ze tegen den laagsten prijs wilde tot stand brengen. Tevergeefs dienden de pachters en aannemers hiertegen vertoogen en smeekschriften in; bij den censor vonden ze geen gehoor, doch wel bij den senaat, die in hun belang de pachtcontracten vernietigde en den censor beval, nieuwe overeenkomsten met hen 1e treilen. Cato en Flaccus gehoorzaamden, doch de pachters en aannemers, die de eerste contracten gesloten hadden, werden bij de herbesteding geheel uitgesloten; nieuwe pachters boden meer, nieuwe aannemers eischten minder. ,

Overal waar de censoren den toeleg bespeurden om den staat op onbillijke wijze te benadeelen, verzetten zij zich daartegen. Vele edelen hadden zich wederrechtelijk in het bezit van staatslanderijen gesteld en daarop gebouwen opgericht; de censoren lieten de gebouwen zonder vorm van proces afbreken. Waar uit de openbare waterleiding tot nadeel der stad afleidingsbuizen naar bijzondere woningen gemaakt waren, werden deze buizen afgesneden, om het even of het de woningen van edelen of van eenvoudige burgers gold. Ook aan de voortdurend toenemende weelde poogden de censoren paal en perk te stellen; allen, die zich door een kostbaren tooi onderscheidden, werden bij de belasting op het vermogen duchtig aangeslagen.

»Het was , zegt Livius, »eene gedenkwaardige censuur, die de bron wera van veel vijandschap, waarmede Cato, wien deze gestrengheid toegeschreven werd, zijn leven lang vervolgd werd". Het nut van deze maatregelen kon echter niet duurzaam zijn; want Cato voerde strijd tegen de uitwendige verschijnselen van een kwaad, welks wortel hij niet kon uitroeien. De neiging tot eene weelderige leefwijze, tot het ten toon spreiden van uiterlijke pracht, tot het ijdel pronken met goud en allerlei blinkende kleinigheden was in het Romeinsche volk reeds diep doorgedrongen; alle standen waren door dit kwaad aangetast, slechts eene kleine minderheid was nog aan de oud-Romeinsche zeden trouw gebleven. Geen juister begrip kunnen wij ons omtrent ue bij het volk heerscliende denkbeelden vormen, dan door ons den toestand der vrouwen voor den geest te roepen, die te Rome steeds een machtigen invloed op de openbare zaken uitoefenden. Gedurende de Punische oorlogen, toen de staat al zijne krachten moest inspannen om zijn geheelen ondergang te voorkomen, had de volkstribuun Gajus Oppius eene verordening weten door te zetten, dat voortaan geene vrouw meer dan een half ons goud hebben, een bont kleed dragen of met een voertuig — behalve bij openbare olleranden door de stad rijden mocht. Deze verordening werd gehandhaafd, zoolang het gevaar dreigde, doch nauwelijks was het afgewend, ot de vrouwen kwamen tegen de Oppische wet in verzet en drongen op hare afschaffing aan.

Hevige twisten werden er onder de burgerij en den adel voor en tegen de wet gevoerd en de vrouwen namen daaraan deel. "Volgens hel verhaat van Livius lieten zij zich door geene vertoogen, door geen gevoel van betamelijkheid, door geen gebod der mannen in hare huizen terughouden, aij snelden door de straten der stad, bezetten de toegangen tol de markt en smeekten de mannen, die zich naar het forum begaven, dat zij thans, nu de staat weei bloeide en de welvaart van alle burgers met eiken dag toenam, ook aan de vrouwen haar vroegeren tooi weer zouden toeslaan. Dagelijks groeide net getal der vrouwen op de straten aan, ook uit de landsteden en marktplaatsen stroomden zij toe; de aanzienlijkste adellijke vrouwen bevonden zich ondei haar, zij waagden het zelfs zich met hare beden tot de consuls, praeloren en andere beambten te wenden. Rij sommigen vonden zij gehoor, bij anderen echter niet.

Marcus Porcius Cato, die toen juist consul was, bleef onverbiddelijk en eischic, dal de Oppische wet in stand gehouden zou worden. Cato was een

Of,

Streckfuss. ii. u%j

Sluiten