Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met het aankweeken van den wijnstok en den olijfboom hield hij zich minder bezig, hij liet dit over aan de groote grondeigenaars, wier slaventegen lageren prijs de wijnbergen konden bearbeiden dan dit den boer mogelijk was. Van meer belang dan het boerenbedrijf was het beheer der groote landgoederen, die in het bezit van den rijken adel waren. Door liet heilloos stelsel om allen handenarbeid door slaven te doen verrichten, oefende dit den nadeeligsten invloed op de ontwikkeling van het Romeinsche volk uit. Gedurende de drukkende oorlogen, waarin de boeren verarmd en groolendeels bij het vervullen van hun verplichting ten aanzien van den krijgsdienst op het slagveld gebleven waren, zagen de aanzienlijke Romeinen zich in de gelegenheid om de landhoeven der boeren aan te koopen en die tot landgoederen van aanzienlijken omvang te vereenigen. Ook in de Italiaansche gewesten wisten zij zich hetzij langs wettigen, hetzij langs onwettigen weg een uitgestrekt grondgebied te verwerven, zoodat na liet einde der Punische oorlogen menige familie een klein vorstendom bezat, hetwelk door eene talrijke slavenbevolking bewoond werd. Zulk eene bezitting werd meestal in landgoederen van middelmatigen omvang verdeeld, welke onder het bestuur stonden van een administrateur of opzichter, die gewoonlijk een slaaf was. De eigenaar zelf hield alleen het oppertoezicht; bij woonde te Rome en leefde daar voor de staatszaken en voor zijn genot. Alle knechten waren slaven, die met meedoogenlooze wreedheid, soms erger dan het vee behandeld werden. Hun leven en hunne gezondheid hadden voor hun meester alleen in zoover eenige waarde, als de slaaf geld gekost had en geen geld meer opbrengen kon, wanneer eene ziekte hem voor den arbeid ongeschikt maakte. Op elk landgoed trof men den slavenkerker aan, een onderaardsch gewelf met vele smalle venstertjes. die zoo hoog boven den grond waren aangebracht, dat de gevangene ze niet bereiken kon. In dezen kerker werden de slaven des nachts opgesloten; des daags werden zij, wanneer zij van plannen ter ontvluchting verdacht werden of wanneer zij een klein vergrijp begaan hadden, geboeid naar den arbeid gevoerd.

Het aanlokken en africhten van slaven en van vee was een afzonderlijk bedrijf, dat volstrekt niet als schandelijk beschouwd werd. Ook Cato legde zich toe op het aankoopen van slaven, om hen tot een of ander bedrijf af te richten en hen dan weer met voordeel te verkoopen.

Dat de slaven menschen waren hadden de Romeinen geheel vergeten; een goede kettinghond mocht, volgens de meening van een Romeinsch grondeigenaar, niet te vriendelijk jegens zijne medeslaven zijn.

Zoolang de slaven in staat waren te arbeiden ontvingen zij toereikend voedsel, om hun kracht te schenken tol hun werk. Werden zij zwak, dan verkocht men hen als oud, onbruikbaar vee, tegen lagen prijs. Ook op feestdagen hadden de ongelukkigen geene rust. Cato was van oordeel, dat een slaaf óf slapen óf werken moest en dat men daarom op feestdagen wel den ploeg moest laten rusten, maar de slaven met huiselijken arbeid bezighouden.

Deze onmenschelijke behandeling, waaraan de slaven blootstonden, droeg natuurlijk hare vruchten. Een Romeinsch spreekwoord zeide: «Zooveel slaven, zooveel vijanden". Waar de ongelukkigen hun ondragelijk juk afschudden, waar zij ontvluchten konden, deden zij het; zij zwierven dan als roovers door het land rond en plunderden en moordden zonder genade; zij wisten immers, dat ook zij geene genade te verwachten hadden, wanneer zij gevangen werden.

Erger nog dan de onveiligheid der groote wegen, waarvan de voortvluchtige slaven de oorzaak waren, erger zelfs dan de slavenoproeren, waarvan wij weldra zullen spreken, was de invloed dezer instelling op het karakter van het Romeinsche volk.

De Romeinen gewenden zich, de natuurlijke rechten van vreemde naties met voeten te treden, gelijk zij die der slaven verachtten; hunne natuurlijke neiging tot wreedheid werd dus meer en meer ontwikkeld.

Een weinig beter dan die slaven, die voor den landbouw werden ge-

Sluiten