Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunst en wetenschap hoog in eere. De hervormingsgezinde partij, die de oudRomeinsche zeden in stand wilde houden, aan welker hoofd Cato stond, verzette zich wel uit alle macht tegen den steeds toenemenden invloed van het Hellenisme, doch tevergeefs. Cato zelf zag zich genoodzaakt om nog in hoogen ouderdom Grieksch te gaan leeren.

De Grieksche zeden drongen, na eerst bij den adel eene goede ontvangst te hebben genoten, ook tot het leven des volks door en voerden de ondeugden der Grieken in haar gevolg mede. De Romeinen behielden hunne nationale gebreken en namen die der Grieken daarbij over. Het onbeschaafde volk, dat op het slagveld zonder moeite de overbeschaafde en daardoor ontzenuwde Hellenen onderworpen had, werd door de overwonnenen op zedelijk gebied onder het juk gebracht.

De kennis der Grieksche taal werd het eigendom van alle beschaafde Romeinen. De staatslieden spraken niet alleen bij voorkeur Grieksch met de Grieken, zij schreven zelfs in de vreemde taal. Ook de lagere standen verstonden voor een deel Grieksch en reeds sinds lang maakte het onderwijs in deze taal een onmisbaar gedeelte van de opvoeding der jeugd uit. Dit was ook zeer natuurlijk, want de onderwijzers op de scholen waren grootendeels uit Grieksche slaven en vrijgelatenen gekozen; zelfs bij het onderricht in de Latijnsche spraakkunst, dat in de scholen gegeven werd, moest men uit gebrek aan eene Romeinsclie letterkunde bouwstoffen uit de Grieksche spraakkunst en letterkunde gebruiken. Zoo maakte Grieksche wetenschap den grondslag der kennis, Grieksche poëzie den grondslag der dichtkunst bij de Romeinen uit.

Ten allen tijde heefl het tooneel een machtigen invloed op de ontwikkeling des volks uitgeoefend. Wij hebben gezien, welk eene gewichtige rol het tooneel in het staatkundige leven der Atheners speelde. Hetzelfde was te Rome het geval.

Naar het voorbeeld der Grieken behoorden tooneelvoorstellingen te Rome tot de meest geliefde volksvermaken, die door de aedilen en praetoren, op wie de taak rustte om de volksfeesten te regelen, steeds aan de op vertooningen beluste menigte moesten worden aangeboden. Een vaste schouwburg met entreegeld bestond te Rome niet. Bij elk feest werd er eene planken stellage met een tooneel voor de spelers opgeslagen, terwijl voor deze stellage eene ruimte in den vorm van een halven cirkel ten behoeve der toeschouwers afgebakend was. Het publiek bracht zijne zetels mede, want afzonderlijke zitbanken waren er niet. De senatoren namen sedert het jaar 194 v. Chr. afgezonderde plaatsen in; de vrouwen moesten zich waarschijnlijk met de slechtste piaatsen vergenoegen. De tooneelspelers waren meestal slaven of vrijgelatenen; hun beroep werd als eerloos beschouwd en hierin kwam gedurende het tijdperk, waarmede wij ons thans bezig houden, geene verandering. Zelfs de beste tooneelspeler werd nooit met eerbewijzen, maar hoogstens inet een beter loon en een goeden maaltijd beloond. Plautus schetst ons dit in de volgende bewoordingen:

Als het stuk nu afgespeeld is, trekken zij de kleeren uit;

Wie zijn best niet deed, krijgt slagen; wie zijn rol goed speelde, smult.

Dat onder zulke ongunstige omstandigheden de tooneelspeelkunst geen bijzonder hooge vlucht nemen kon, ligt. voor de hand. Het mag zelfs verwondering baren, dat zij niet geheel verviel en dat enkele uitstekende talenten in hunne ontwikkeling niet ten eenenmale belemmerd werden.

De eerste Romeinsche tooneeldichter was een Griek, een slaaf, die later als vrijgelatene den naam Lucius Livius Andronicus aannam (272—207 v. Chr.). Als slaaf was bij tooneelspeler en onderwijzer in de Latijnsche en Grieksche taal. "ij maakte zich beroemd door eene vertaling van de Odyssee en door grammatische werken. Hem komt de verdienste toe, dat hij de eerste is geweest, die het drama op het Romeinsche tooneel heeft ingevoerd, doch

Sluiten