Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

regeling Ie handhaven. Gedroegen de rijke en aanzienlijke heeren zich maar een weinig voorkomend jegens de behoeftige volksmenigte, droegen zij zorg dat van lijd lot tijd een genoegzame voorraad koren óf tegen billijken prijs verkrijgbaar gesteld óf om niet uitgedeeld werd, opdat het plebs gemakkelijk zijn honger konde stillen, zonder dat het de handen uit de mouw behoefde te steken, verschaften zij het de middelen om zich te vermaken, door prachtige spelen en andere volksuitspattingen, dan mochten zij ook op de stemmen der proletariërs voor de hoogste staatsambten hopen, en voegden zij daar nu nog eene kleine som ter omkooping bij, dan konden zij vast op hunne benoeming rekenen! Wat het verkrijgen van het ambt gekost had, bracht het later door middel van afpersing en bedrog weer dubbel op.

Zulk een toestand aanschouwde Tiberius Gracchus te Rome en op het platteland van Italië. Hij zag de bondgenooten aan de grootste afpersingen, aan liet schandelijkst geweld prijsgegeven, zonder dat zij een middel bezaten om zich recht te verschaffen. Hij kon zich daarbij niet ontveinzen, dat het volk te Rome verbasterd, ja in een veilen, beginselloozen, den adel slaafs onderworpen hoop ontaard was.

Bestond er dan geen middel om aan dat kwaad paal en perk te stellen, om de kranke republiek te genezen? Voorzeker, meer dan één hulpmiddel bestond er; doch. de eenige maatregelen, die behoud konden aanbrengen, sneden zóó diep in het vleesch der aristocratie, dat het gevaarlijk scheen, ze aan te wenden, want de adel zou ongetwijfeld als één man daartegen in verzet komen. Dit had reeds Gajus Laelius, die in het jaar HO consul was, ondervonden.

Met verontwaardiging had deze gezien hoe de adel zich wederrechtelijk van de staatslanderijen meester gemaakt en die met zijne bijzondere bezittingen vereenigd had. .Hij stelde voor, deze landerijen, welke de adel zich wederrechtelijk had toegeëigend, terug te eischen en die bij gedeelten aan de boeren te schenken. Hoe gematigd zulk een voorstel ook was, toch deed het onder de senatoren, die, ingeval het aangenomen werd. bijna zonder uitzondering een grooler of kleiner verlies zouden lijden, zulk een storm opsteken, dat Laelius zijn wetsvoorstel introk. Hij werd daarom Gajus Laelius de Verstandige genaamd.

Tiberius Gracchus begeerde zulk een eernaam niet, hij deinsde voor den strijd met den adel niet terug. Zou de toekomst van Rome verzekerd zijn, dan moesten de Italiaansche bondgenooten worden bevrijd van den druk, waaronder zij gebogen gingen, dan moesten zij opgenomen worden onder het getal der Romeinsche burgers en het volle burgerrecht ontvangen; slechts hierdoor kon men zich voor altijd van hunne trouw verzekeren. Een flinke burger- en boerenstand moest de plaats der behoeftige proletariërs in de hoofdstad innemen, de gewoonte om de landerijen alleen door slaven te doen bearbeiden moest afgeschaft en het groote grondbezit beperkt worden. Deze beide denkbeelden terzelfder tijd te verwezenlijken scheen eene zware, ja eene schier onuitvoerlijke taak, want tegen de gelijkstelling der bondgenooten zou zoowel het volk als de adel zich verzetten. Tiberius Sempronius Gracchus moest de bondgenooten dus voorloopig aan hun lol overlaten en zich bepalen tot het voorbereiden van eene hervorming, waarbij hij althans op de ondersteuning des volks rekenen en waarvoor hij een grond in de wet zelf aanwijzen kon.

De Licinische wetten, hoewel nooit afgeschaft, waren sinds langen tijd niet toegepast. Onze lezers herinneren zich deze merkwaardige wetten, die bepaalden, dat niemand meer dan 500 morgen van de staatslanderijen in bezit mocht hebben en dat ieder grondeigenaar verplicht zou zijn om, behalve zijne slaven, eene aan hun aantal geëvenredigde menigte vrije arbeiders in dienst te nemen. Aan het handhaven van deze wet dacht de adel sedert lang niet meer, doch Tiberius Gracchus had haar niet vergelen en weldra stond zijn besluit vast om aan de herstelling van het vervallen staatsgebouw de in onbruik

Sluiten