Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verscheen Metellus Macedonicus. In de hevigste gemoedsbeweging riep hij hel volk toe: »De muren onzer stad zijn ingestort: Scipio Aemilianus is in zijn eigen huis in den slaap vermoord geworden". Hij, de tegenstander van den grooten veldheer, was toch niet minder verschrikt dan diens vrienden.

De tijding, welke Metellus aan hel volk gebracht had, bevestigde zich. Scipio werd des morgens dood in zijn bed gevonden, zijn lichaam droeg geene wonden, maar wel kenteekenen, die aantoonden, dat hij geworgd was. Wie waren de moordenaars?

Duistere geruchten verbreidden zich door de stad. Men mompelde, dat de vrienden der Gracchen den dood van Tiberius gewroken hadden op den man, die zich zoo ongunstig over den voort redelijken volksleider uitgelaten had. Zelfs op Sempronia, de vrouw van Scipio, en op Gajus Gracchus, Tiberius' broeder, viel de verdenking, doch later werd een ander man openlijk van den moord beschuldigd. Gajus Papirius Carbo, wien de redenaar Crassus deze schandelijke aanklacht in het aangezicht wierp en dien ook Cicero en Pompejus als moordenaar genoemd hebben.

Of hij met recht beschuldigd is? Een sluier bedekt deze zwarte daad. Wel hebben de vijanden van Carbo goede gronden voor hunne beschuldiging aangevoerd, vooral dezen grond, dat Carbo sinds lang de meest verbitterde vijand van Scipio geweest was, dat hij dezen zijn roem benijdde, dat het hem er om te doen was, zelf het hoofd der adellijke partij te worden. Dit laatste vermoeden werd bevestigd door de omstandigheid, dat hij oogenblikkelijk na den moord de vanen verliet, waaronder hij zoolang geslreden had, dat hij, als trouwloos renegaat, geheel en al de zijde van den adel koos. Hij liet de zaak des volks aan haar lot over; door de diensten, welke hij den optimalen bewees, wilde hij de herinnering uitwisschen van die, welke hij vroeger aan Gracchus bewezen had. Zijne pogingen waren vruchteloos. Tien jaren later werd hij in weerwil van dit alles als vriend der Gracchen aangeklaagd en hij zou zeker veroordeeld zijn geworden, indien hij niet met eigen hand een eind aan zijn leven had gemaakt.

Wie ook de moordenaar mocht wezen, de groote Scipio was niet meer. De moord maakte op alle partijen een vreeselijk diepen indruk. Voor een langen tijd was de strijd geëindigd, want het volk miste, sinds Carbo zijne zijde verlaten had, een hoofd en leidsman.

De adel achtte zich nu zoo veilig, dat hij meende, thans zonder schroom zijne plannen te kunnen doorzetten. De akkerverdeeling was op de lange baan geschoven; insgelijks moest de lastige eisch der bondgenooten, hun door Scipio op de lippen gelegd, gesmoord worden. Men vreesde, dat Gajus Gracchus, die negen jaren jonger was dan zijn vermoorde broeder, zich hunne belangen aantrekken zou. Derhalve werd de jonge man als quaestor in het jaar 126 naar Sardinië gezonden en te gelijker tijd wist een volkstribuun, die een getrouw aanhanger van den senaat was, eene wet te doen aannemen, hetwelk den lasligen klagers den mond moest stoppen: den talrijken te Rome vertoevenden bondgenooten werd het verblijf in de hoofdstad ontzegd.

Zulk een geweldige maatregel deed eene heftige verbittering ontstaan en deze nam nog toe, toen in het volgende jaar 125 Marcus Fulvius Flaccus, die lot consul verkozen was, tevergeefs voor de bondgenooten in de bres sprong. Hij stelde voor, dat aan allen het volle burgerrecht verleend zou worden, doch hij vond geen bijval en werd, om hem onschadelijk te maken, als opperbevelhebber legen de Kelten naar Gallië aan gene zijde der Alpen afgezonden.

De verontwaardiging der Latijnen over hunne 'teleurgestelde verwachting was groot. Zij besloten, met geweld zich te verschaffen wat men hun niet langs den wettigen weg schenken wou. In de Latijnsche stad Fregellae, niet ver van Rome, hielden zij heimelijke samenkomsten en vervolgens vatten zij de wapens op, doch eer de opstand rondom zich grijpen kon, werd hij op bloedige wijze onderdrukt. De praetor Lucius Opimius, een der onverzoen-

Sluiten