Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ACHT EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

De reactie. Slavenoproeren. Jugurtha. De strijd om de Numidische erfenis. Cirta belegerd en ingenomen. Omkoopbaarheid der Komeinsche grooten. Schandelijke vrede. Redevoering van Gajus Memmius. Jugurtha te Kome. Massiva vermoord. De senaat besluit opnieuw tot den oorlog.

Op de omwenteling want. we mogen aan de Gracchische woelingen wel geen anderen naam schenken — volgde de treurige lijd der reactie. Hel volk moest dit lijdelijk aanzien, het had geene leidslieden, want de enkele vrienden van Gracchus, die zijn val en het daarop gevolgde bloedgericht overleeid hadden, waren moedeloos geworden. Zoo kon dus de senaat langzamerhand al die wetten van Gracchus intrekken, waardoor eene krachtige ontwikkeling der volksvrijheid mogelijk gemaakt werd, terwijl hij juist die bepalingen bestaan liet, welke Gajus Gracchus alleen uit berekening had voorgesleld. Om de groote menigte in eene goede luim te houden, werden de uitdeelingen van koren tegen lagen prijs voortgezet en het gevolg hiervan was. dat de lagere volksklasse meer en meer gewoon werd voordeel van den staat te trekken. Om ook het misnoegen der ridderschap niet gaande te maken, liet de senaat haar het rechterlijk ambt, haar door Gracchus opgedragen, maar hij wist die macht te gelijker lijd wel onschadelijk te maken. De hebzuchtige kooplieden werden betrokken in de geldafpersingen en oplichterijen, waaraan de optimaten zich in de provinciën schuldig maakten. De ridders hadden daardoor betzelfde belang als de adel, hun rechtbank was dus in het vervolg voor den adel niet meer te vreezen dan vroeger de rechterlijke waardigheid van den senaat, zij werden even omkoopbaar en onrechtvaardig.

Doch bleef deze vrucht der werkzaamheid van Gajus Gracchus bestaan, alle andere maatregelen, door hem genomen, werden binnen korten tijd afgeschaft. Het stichten van koloniën, met het doel om aan het proletariaat binnen Hume paal en perk te stellen, werd geslaakt. Juist in de wufle, lichl omkoopbare menigte der proletariërs vond de adel den hechtsten steun tegenover eke poging tot herwinning van de vrijheid, welke zelfstandige en meer ontwikkelde burgers of landlieden te eeniger tijd konden wagen. Daarom wenschte hij volstrekt niet, Rome van het proletariaat te bevrijden. Al bleven de reeds gestichte volkplantingen in stand, er werden toch geene nieuwe aangelegd. Alleen moest de senaat, schoon tegen zijn zin, toeslaan, dat aan de overzijde der Alpen de kolonie Narbo (de tegenwoordige stad Nar bon ne) werd gevestigd. Evenzoo werd de verdeeling van de wederrechtelijk door den adel m bezit genomen staatslanderijen gestaakt. Ja, om dit ook in de toekomst onmogelijk te maken, werd bepaald dat de tegenwoordige bezitters dit land in vollen eigendom zouden bezitten, zonder daarvoor iets aan de schatkist op te brengen. Met deze bepaling waren natuurlijk allen zeer tevreden, die in de dagen der Gracchen een stuk grond ontvangen hadden en nu in de voorrechten des adels deelden. Dat het toekennen van het burgerrecht aan de bondgenoolen hetwelk het volk buitendien niet gaarne zag, zelfs niet verder ter sprake gebracht werd, behoeft slechts met een enkel woord herinnerd te

Sluiten