Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plaats geboren; hij stamde af van onaanzienlijke ouders, die door liet bebouwen van hun land op sobere wijze den kost verdienden. Evenals zijn vader was hij zelf boer geweest. Onder Scipio Aemilianus had hij aan de belegering van Numantia — zijn eersten veldtocht — deelgenomen. Reeds toen hadden zijne dapperheid en bekwaamheid de aandacht van Scipio tot zich getrokken. Plutarchus verhaalt ons: »Toen op zekeren tijd aan tafel het gesprek op de Romeinsche veldheeren gekomen was, vroeg een der gasten aan Scipio, wie hem tocli wel eens als veldheer zou kunnen vervangen. Scipio sloeg Marius zachtkens op den schouder en zeide: «Misschien deze".

Zulk een woord uit den mond van den hooggeplaatsten man moest in de borst van den vurigen jongeling de stoutste verwachtingen voor de toekomst wekken. Marius vatte het als eene goddelijke roepstem op; hij besloot, niet terug te keeren tot de vaderlijke hoeve, maar zich geheel en al aan den dienst van den staat te wijden. Door zijne dapperheid, zijne eenvoudige leefwijze en zijne korte, krachtige wijze om zich uit te drukken, maakte hij zich te Rome bij liet volk bemind en het gelukte hem zicli tot de waardigheid van volkstribuun te verheffen. Caecilius Metellus stelde zich voor hem in de bres en hieraan vooral had hij zijne benoeming te danken.

Gedurende zijn tribunaat onderscheidde Marius zich door de krachtige wijze, waarop bij de rechten des volks handhaafde, terwijl hij te gelijker tijd zijne onafhankelijkheid wist te bewaren en niet om den bijval van den grooten hoop boeide. Toen op zekeren lijd het voorstel gedaan werd om eene nieuwe uitdeeling van koren te doen plaats hebben, verzette hij zich hiertegen op het nadrukkelijks' en hierdoor kwam hij evenzeer bij de ridderschap, ja, bij den adel als bij het volk in aanzien.

De gelukkige uitslag van zijne poging om tot volkstribuun benoemd te worden bad zijne eerzucht slechts te meer geprikkeld; hij besloot, naar lioogere eerambten te dingen. Eene verbintenis met eene hoogadellijke familie — bij huwde eene dochter uit het zeer aanzienlijk huis der Caesars, Julia, de tante van den later zoo beroemd geworden Julius Caesar — verhoogde zijn invloed. Hij wist zich tot praetor te verheffen en zuiverde in die betrekking Spanje van de daar rondzwervende rooverbenden. Metellus, die hem als een flink, dapper en bekwaam aanvoerder kende, benoemde hem tot zijn tweeden legaat en nam hem mede naar Afrika, waar de consul in bet jaar 10!) hel opperbevel aanvaardde.

Het Romeinsche leger in Afrika verkeerde bij Metellus' aankomst in zulk een verwarden toestand, dat zijne eerste zorg moest zijn de orde te herstellen, voordat hij tot eenige onderneming, hoe ook genaamd, kon overgaan. Met de hulp zijner beide legaten bereikte hij, deels door het aanwenden van gestrenge, deels door het bezigen van zachte middelen, binnen korten tijd zijn doel. °

Spoedig bemerkte Jugurtha, dat hij een anderen vijand tegenover zich had dan de vroegere omkoopbare Romeinsche veldheeren; hij beproefde dus tol onderhandelingen de toevlucht te nemen en verklaarde zich tot onderwerping bereid, mits men hem lijfsbehoud toestond. Doch juist dezen eisch wilde Metellus allerminst inwilligen.

Jugurtha was de afgod der Afrikanen geworden. De moorden, door hem gepleegd, welke slechts leden der koninklijke familie getroffen hadden, konden hem de liefde des volks niet rooven. De Numidiërs beschouwden hem als den bevrijder van Afrika van de Romeinsche heerschappij, zij hingen hem met hunne gansche ziel aan. Zoolang Jugurtha leefde, konden de Romeinen op geen duurzamen vrede met de bevolking van Afrika hopen. Al werd hij heden ook ten onder gebracht, zoodra hij zich sterk genoeg gevoelde, zou hij opnieuw naar de wapenen grijpen.

Slechts zijn dood kon aan het Afrikaansch-Romeinsch wingewest rust en veiligheid schenken. Hierom gaf Metellus aan de door Jugurtha afgezonden onderhandelaars ontwijkende antwoorden, terwijl hij heimelijk zich van zijn

Sluiten