Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook de ridderschap liudden de optimaten geheel Voor hun belang gewonnen. De rijke kooplieden vreesden de macht der proletariërs veel meer dan die des adels en zij betoonden hunne onderdanigheid jegens de bovendrijvende partij op dezelfde laaghartige wijze, waarop de rijke burgerij zichten allen tijde in elke omwenteling gedragen heeft.

De rechtbanken der ridders velden het eene onrechtvaardige vonnis na het andere. Ieder, die, in welk opzicht ook, de zijde van de volkspartij gekozen had, elk, die met Saturninus bevriend was geweest, werd veroordeeld, hetzij hij schuldig of onschuldig was. Zoo werd een vriend van Saturninus veroordeeld, dewijl hij de beeltenis van den vermoorde in zijn huis had, en een ander omdat hij als volkstribuun den op Saturninus gepleegden moord onwettig had genoemd.

De heerschappij des adels was op hechter grondslagen dan ooit gevestigd. Het behoeft dan ook nauwelijks uitdrukkelijk gezegd te worden, dat de senaat de gehate Apulejische wetten introk, zoodra de gelegenheid daartoe gunstig scheen, ofschoon hij gezworen had, die te zullen handhaven. Desgelijks kon het niet missen, of de adel moest wel alle krachten inspannen, om die wetsbepalingen, welke zijne macht nog beperkten, langzamerhand op te hellen.

Het meest stuitte het den meesten senatoren en wel den besten onder hen tegen de borst, dat de hoogste beambten van den staat, zij aan wie het bestuur over de wingewesten opgedragen was, door de ridders gevonnisd werden. Juist in de oogen dier optimaten, die zich vrij kenden van zelfzuchtige bedoelingen. die hunne ambten niet misbruikten om de provinciën uit te zuigen, was de maatregel, waarbij het richterambt aan de ridders opgedragen was, het hatelijkst, daar deze rechtbanken in den loop der tijden nog meer ontaard waren dan die, welke vroeger bestonden.

Het bestuur der provinciën was door het opdragen van het gericht aan de ridders geheel afhankelijk geworden van den koopmansstand; ;il de stadhouders, die den in de provinciën behaalden roof niet met de kooplieden en staatspachters wilden deelen, ja zelfs zij, die zich eerlijk van hun plicht gekweten en alleen het welzijn beoogd hadden van de landstreken, aan hun bestuur toevertrouwd, werden veroordeeld. Wel was het aantal dezer laatsten zeer gering, doch onder den hoogsten adel trof men altijd nog wel eenige rechtschapen mannen aan.

In het jaar 98 was Quintus Mucius Scaevola stadhouder van Azië. In vereeniging met zijn vriend, den uitstekenden staatsman en legaat Publius Rutilius Rufus, was het zijn ijverig streven recht en gerechtigheid te herstellen in eene provincie, die door vorige stadhouders op schaamtelooze wijze mishandeld en uitgezogen was. Voor zijne rechtbank gold rang noch stand; nooit maakte hij onderscheid tusschen Romeinsche burgers, Italiaansche bondgenooten of inboorlingen der provincie. Hij hoorde elke aanklacht aan en onderzocht die zeer nauwkeurig en wee dengenen, die onrecht begaan hadden. De Romeinsche kooplieden en staatspachters moesten volledige schadeloosstelling geven, wanneer zij de inwoners der provinciën benadeeld hadden, en indien eenige hunner agenten schuldig bevonden werden aan halsmisdaden, liet Mucius Scaevola hen kruisigen, hoewel hunne beschermers alle middelen der overreding en zelfs van omkooping aanwendden, om de schuldigen te redden,

De stadhouder verwierf zich zulk een hoogen roem en zulk een aanzien in de provincie, dat de senaat zijne handelwijze openlijk goedkeurde en den toekomstigen stadhouders van Azië bevel gaf, de regeoringsbeginselen van Scaevola tot de hunne te maken. Ofschoon Scaevola nauwgezet zijn plicht vervuld had. toch haatten hem de ridders. Zij waagden het echter niet, den hoog aanzienlijken man, die verwant was met den hoogsten Romeinschen adel, voor hunne rechtbank te dagvaarden, doch zijn medestander, de legaat Publius Rutilius Rufus, moest het ontgelden, dat hij geen bereidvaardig medeplichtige van de geldzuchtige Romeinsche kooplieden geweest was. In het

Sluiten