Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de volksmassa een hoofd in den onversaagden volkstribuun Publius Sulpicius Rufus, een man.uit een oudadellijk geslacht, die zich door zijn rijkdom en zijn schitterend redenaarstalent een groot aanzien te Rome verworven had. Bij de vroegere partijschappen had hij aan de zijde van den senaat gestaan, doch zich later aan Livius Drusus aangesloten. Hij was bijna de eenige man van invloed, die aan de vervolgingen van Varius Hybrida ontkomen en rustig te Rome gebleven was. Thans meende hij eene gunstige gelegenheid te hebben gevonden om het werk, waartoe Drusus den grond had gelegd, te voltooien.

In het jaar 88 trad hij met gewichtige wetsvoorstellen voor het volk op; ten eerste moesten volgens zijne voordracht alle senatoren, die meer dan 2000 denariën (ongeveer f 1000) schuld hadden, hunne betrekking laten varen, en ten andere moesten alle burgers teruggeroepen worden, die als aanhangers van Drusus waren verbannen. Hadden deze beide wetten reeds ten doel, den adel te krenken en der volkspartij in de teruggeroepen ballingen nieuwe aanvoerders toe te voegen, eene derde, door Sulpicius voorgestelde wet, was van nog meer ingrijpenden aard; bij eiscMe namelijk, dat allen nieuwen burgers en vrijgelatenen het stemrecht in alle districten zonder onderscheid zou toegestaan worden. Hierdoor voltooide hij de geheele gelijkstelling der bondgenooten, die het Romeinsche burgerrecht ontvangen hadden, terwijl langs dezen weg ook eerst de vrijgelatenen het standpunt innamen, waarop zij tegenover hunne medeburgers behoorden te staan-

Terwijl Sulpicius aldus optrad voor de rechten der nieuwe burgers en vrijgelatenen, zag hij zeer goed in, dat hij een hachelijken kamp aanvaardde. Het voorbeeld zijner voorgangers stond hem voor oogen; doch hij had vast besloten, zich niet gelijk dezen weerloos op te otleren aan de wraak desadels, en daarom nam hij zijne maatregelen van voorzorg. Nooit verscheen hij op de markt, dan vergezeld door een gewapend gevolg; 3000 vrijgelatenen en nieuwe burgers waren gereed om hun aanvoerder ieder oogenblik ter zijde te staan; (iOO jonge mannen uit de hoogere standen, die Sulpicius zijn tegensenaat placht te noemen, schaarden zich om hem en verklaarden openlijk, dat zij zelfs niet schromen zouden, voor de Sulpicische wetten liet zwaard te trekken.

De meerderheid in den senaat was, gelijk te voorzien was, geenszins geneigd, om zich zonder tegenstand naar den volkstribuun te schikken; de beide consuls, Lucius Cornelius Sulla en Quintus Pompejus Rufus, beiden verklaarde vijanden der democratie, begaven zich naar Rome. In overleg met den senaat trachtten zij de stemming over de wetten te doen uitstellen, en zij grepen te dien einde een middel aan, waarvan de adel zich reeds meermalen bediend had. Onder het voorwendsel, dat men godsdienstfeesten te vieren had, gedurende welke de volksvergaderingen behoorden geschorst te worden, vaardigden zij het bevel uit, dat gedurende geruimen tijd alle staatsaangelegenheden buiten behandeling moesten blijven. Sulpicius liet zich echter door zulk een middel geen vrees aanjagen; door zijne aanhangers vergezeld, vertoonde hij zich op de marktplaats; het volk verdrong zich rondom den tempel van Castor, waar de senaat vergaderd was, en spoedig kwam het tot onstuimige tooneelen, zelfs tot een gevecht tusschen den adel en het volk. De woedende volksmenigte bedreigde het leven der beide consuls. Sulla was alleen in staat zijn leven te redden, door overhaast in het huis van zijn ouden mededinger Marius te vluchten. Hier vond hij bescherming. Onder eede beloofde hij Marius, dat hij zich niet verder tegen het in stemming brengen van de wetsvoorstellen verzetten zou; daarvoor verborg Marius hem en liet hem door eene achterdeur ontsnappen. Ook de tweede consul, Quintus Pompejus Rufus, redde zijn leven; doch zijn zoon, de schoonzoon van Sulla, werd door het volk vermoord. Sulla deed, getrouw aan zijne belofte, eene openbare bekendmaking afkondigen, maar hij deed zulks, omdat hij daardoor alleen in de mogelijkheid werd gesteld, om de stad te verlaten en zich naar zijn leger, dat nog in Campanië lag, te begeven.

Sluiten