Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Thans was Sulpicius in staat zonder verderen tegenstand de aanneming zijner wetten door te drijven. Al had voor het oogenblik de volkstribuun over den senaat en de consuls gezegevierd, toch kon hij niet anders verwachten dan dat de adel zich niet van het hervatten van den strijd zou laten afschrikken. De gevaarlijkste vijand was Sulla, die aan het hoofd eens legers van zes legioenen (35,000 man) stond. Sulpicius kende zijn tegenstander, hij wist, dat Sulla niet zou schromen, zijn leger tegen Rome aan te voeren, om de macht des volks te fnuiken. Daarom scheen het boven alles noodzakelijk, den consul liet opperbevel te ontnemen.

Hoe stout dit besluit ook was, toch deinsde Sulpicius daarvoor niet terug. Hij wendde zich tot Marius, deze moeit Sulla's plaats vervullen, en hij toonde zich hiertoe bereid. Er werd eene volksvergadering belegd. Op voorstel van Sulpicius besloot deze, aan Marius het opperbevel over liet Campaansche leger op te dragen, in den tegen Mithridales te voeren oorlog, waartoe het besluit reeds genomen was. Twee volkstribunen werden naar het kamp van Nola gezonden, om Sulla liet besluit des volks mede te deelen en het leger van hem over te nemen.

De tribunen kwamen in het kamp aan en kweten zich van den last, bun opgedragen. Onze veldheer wilde zich nochtans volstrekt niet aan dat bevel onderwerpen. In den aanstaanden krijg tegen Mithridates dacht hij integendeel nieuwe lauweren te behalen. Geen slag kon hem derhalve zwaarder treffen dan zijne terugroeping op dit tijdslip. Zijn besluit stond vasl om alle gehoorzaamheid te weigeren; hij kon zulks ook licht doen, want zijn leger was met hart en ziel aan hem verknocht, zijne soldaten vergoodden hem. Beter dan iemand anders verstond Sulla de kunst om de liefde zijner soldaten te winnen en toch den echten krijgsmansgeest bij hen wakker te houden, door nu eens de tucht in volle gestrengheid te handhaven, wanneer het de subordinatie gold, dan weder iets door de vingers te zien, wanneer liet er op aankwam, den soldaten allerlei uitspattingen te gunnen. Nooit is door hem een soldaat gestraft, die zich tegenover de boeren aan geldafpersingen had schuldig gemaakt. In de legerplaats gaven de soldaten zich aan de grofste uitspattingen over, bij welke Sulla niet achterbleef; dikwijls nam bij aan die feesten zijner soldaten deel. Zoodra men echter op den vijand losging, werd eene onbepaalde gehoorzaamheid van hen gevorderd en werd de krijgstucht onverbiddelijk gehandhaafd.

Zoodra Sulla het volksbesluit vernomen had, riep hij zijn leger bijeen en deelde bij zijnen soldaten de ontvangen tijding mede. Wat hij voorzien had, geschiedde. Een rauwe kreet van woede deed zich liooren; de soldaten vielen op de volkstribunen aan, vermoordden hen en verklaarden, dat zij bereid waren, hun veldheer te volgen, waarheen hij hen mocht voeren, al was het tegen de hoofdstad zelf. Slechts de aanvoerders weigerden, aan zulk eene onderneming deel te nemen. Hun verzet was echter vruchteloos. Sulla brak naar Rome op. Op zijn marsch vereenigde hij zich met zijn medestander Quintus Pompejus Rufus, en beide consuls voerden hunne legers tegen de tioofdstad aan. De senaat zond hun gezanten te gemoet, om met hen te onderhandelen; doch deze werd niet eens aangehoord. De troepen rukten voorwaarts, en drongen tuk op strijd de stad binnen.

In de huizen hadden zich de burgers verschanst; van de daken wierpen zij steenen en andere werptuigen op de soldaten neer. Reeds begonnen de aanvallers te wijken, toen Sulla eene brandende fakkel greep en dreigde, dal hij Rome in brand zou steken, wanneer bel hem niet mocht gelukken, de stad in een straatgevecht te bemachtigen.

• i. ^ e('er drongen de legioenen voorwaarts en de overwinning verplaatste zich naar hunne zijde. Tevergeefs beproefden Marius en Sulpicius, met de troepen, die zij inderhaast hadden bijeengeraapt, hen terug te werpen; er bleef den beiden aanvoerders der volkspartij eindelijk niets over, dan zich door eene overhaaste vlucht te redden door de nog niet bezette poorten.

Sluiten