Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnen weinige uren was Sulla meester van Rome; hij was de eerste consul, die met een leger de hoofdstad bemachtigd had. Hij maakte zich die gewonnen macht ten nutte om terstond als heerscher op te treden. De senaat stelde zich als een dienstwillig werktuig tot zijne beschikking; slechts enkele moedige mannen waagden het, zich te verzetten tegen het machtwoord van den misdadigen consul.

Een van Sulla's eerste maatregelen bestond hierin, dat hij in overleg met den senaal, met verkrachting van alle bestaande wetten, zonder rechtsgeding of vonnis de twaalf voornaamste aanvoerders des volks, en onder hen Marius en Sulpicius, van hoogverraad beschuldigde, hen voor vijanden des vaderlands verklaarde en een prijs op hun hoofd zette. Van alle senatoren waagde hel slechts één. de oude augur Quintus Mucius Scaevola, zich te verzetten tegen zulk eene inbreuk op alle recht. »Hoe gij ook pochen moogt op de krijgsbenden, waarmede gij het raadhuis omsingeld hebt," — riep hij Sulla toe — «hoe dikwijls gij mij ook met den dood moogt bedreigen, nooit zuil gij mij zóó ver brengen, dat ik, ter wille van het weinige bloed, dal nog in mijne oude aderen vloeit, den man, die Rome en geheel Italië gered heeft, voor een vijand des vaderlands verklare."

Maar wat bekommerde Sulla zich, om het woord van dien grijsaard? Marius, Sulpicius en de overige volksleiders werden verbannen, hoewel zij reeds sinds lang gevlucht waren. Den spionnen van Sulla gelukte het intusschen één hunner te grijpen. Sulpicius, die door een slaaf verraden en terstond omgebracht werd. De overige ballingen werden tevergeefs vervolgd; zij werden — en bovenal de grijze Marius — als wilde beesten nagezet, en waarlijk, bijna een wonder was het, dat Marius op zijne avontuurlijke vlucht aan zijne vervolgers ontkwam. Hel was hem gelukt een schip te bereiken; de vreesachtige zeelieden echter, die evenzeer vreesden hem uit te leveren aan de hem vervolgende ruiters, als hem te redden, wisten zich door list van hem te ontdoen. Zij stuurden naar wal en wierpen het anker aan den mond van den Liris uit; toen haalden zij hem over om aan land te gaan, zich van een genoegzamen voorraad levensmiddelen te voorzien en zijne uitgeputte krachten te herstellen, totdat een gunstige wind zou opsteken. Marius volgde hun raad, hij werd aan land gezet. Daar legde hij zich op eene rnet gras begroeide plek neder, om een weinig te sluimeren. Toen hij ontwaakte waren de schippers al lang uit het gezicht. Marius was alleen van alle menschen verlaten. Langen lijd lag hij sprakeloos aan den oever, toen gelukte het hem met groote inspanning op te staan, om eene hut te zoeken. Hij moest door diepe poelen en sloten vol water en slijk waden, totdat hij eindelijk aan hel huis kwam van een grijsaard, die te midden dier moerassen arbeidde en wien hij knielend om hulp smeekte. De oude man was daartoe bereid en bracht hem naar een plekje in het moeras, waar hij zich voor den hem vervolgenden vijand verbergen kon.

Doch spoedig hadden Sulla's ruiters deze schuilplaats ontdekt; zij drongen in het moeras door en namen hunne prooi gevangen; — hij werd naar Mi nturnae gebracht. Van Rome uit waren reeds bevelen naar alle steden afgezonden, om Marius terstond na zijne gevangenneming om te brengen. Het plaatselijk bestuur van Minturnae overwoog lang de vraag, of het gevolg aan dat bevel zou geven; eindelijk besloot het er toe over te gaan.

Een Kimbrische slaaf ontving den last om den gevangene te dooden. Voorzien van een zwaard trad hij het vertrek binnen, dat Marius voorloopig tot gevangenis diende. «Mensch, durft gij Gajus Marius vermoorden?!" riep de grijze veldheer met donderende stem den slaaf toe. Deze sidderde over al zijne leden en durfde den ouden man niet in de bliksemende oogen zien; hij wierp hel zwaard weg en vluchtte met den luiden uitroep: »Ik kan Gajus Marius niet dooden!"

Toen het stadsbestuur lijding van dit merkwaardig voorval ontving.

Sluiten