Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noemde hij zelfs eigenmachtig. De aristocratische hervormingen van Sulla werden zonder uitzondering afgeschaft, terwijl Sulla zelf, zooals onze lezers zicli herinneren, het opperbevel moes! afslaan aan Lucius Valerius Flaccus. Opnieuw werden de wetten van Sulpicius in het jaar 84 afgekondigd, waardoor de nieuwe burgers en vrijgelatenen in het volle bezit van het stemrecht gesteld werden. Zoolang Cinna meester was van Rome, heerschten rust en veiligheid binnen de stad. De democratie scheen zich te bevestigen, en won ook in de provinciën hoe langer hoe meer veld. Daar kwam echter op hel onverwachtst de tijding, dat de gevreesde veldheer zou terugkeeren; hij deelde dit zelf in een brief aan den senaat mede. De veldtocht, zoo schreef hij, was geëindigd; hij sprak geen woord van zijne afzetting, maar verklaarde eenvoudig, dat hij weldra te Ruïne zou aankomen met het vaste besluit oin zacht te regeeren en alle voorrechten te eerbiedigen, die den nieuwen burgers waren toegestaan; en mocht het noodig zijn tot straften over te gaan, dan zouden deze slechts hen, die zich aan misdaden hadden schuldig gemaakt, en niet het volk treilen. Maar hoe zacht en gematigd Sulla's woorden ook luidden, Cinna en zijne vrienden wisten maar al te goed, dat zij een slrijd op leven en dood te voeren zouden hebben. Onmiddellijk begaf de consul zich naar hel leger, met het voornemen om het tegen Sulla aan te voeren. Toen hij echter in het hoofdkwartier te Ancona aan zijne troepen dit besluit mededeelde, sloegen deze aan het muiten, en Cinna werd door de woedende soldaten omgebracht.

Door dien moord was de democratische partij te Rome van haar bekwaamsten leider beroofd, één slechts was in staat hem te vervangen, en deze was Quintus Sertorius, die echter geen genoegzamen invloed op het volk en hel leger bezat, om zich aan het hoofd der beweging te plaatsen. Den overigen volksmenners ontbrak óf genoegzame ervaring, zooals den jongen Marius, zoon van den grooten veldheer, óf het veldheerstalent en de bekwaamheid om den staat gedurende een burgeroorlog te besturen, zooals den beiden consuls voor het jaar 83, Gajus Norbanus en Lucius Scipio. De strijdkrachten, waarover zij konden beschikken, waren groot genoeg: zij hadden meer dan 280,033 soldaten onder hunne bevelen, terwijl Sulla's leger slechts 40,000 man telde; doch dit laatste werd aangevoerd door den eersten veldheer en den listigsten staatsman zijner eeuw, wien de soldaten met lijf en ziel waren toegedaan.

Sulla ontveinsde zich van zijn kant evenmin, hoe moeielijk het was met zijne betrekkelijk geringe macht de overwinning te behalen. In de eerste plaats moest hij beproeven, de strijdkrachten van den vijand Ie verbrokkelen en de nieuwe burgers tevreden Ie slellen, opdat deze niet als één man tegen hem zouden opstaan. Hij gedroeg zich dus zóó zachtmoedig, zóó gematigd, zóó geneigd tot verzoening en zóó vergevensgezind, als niemand van den trotschen aristocraat had durven verwachten. Zijne soldaten moesten onder eede beloven, dat zij de Italiaansche burgers als vrienden en medeburgers zouden beschouwen en de strengste krijgstucht zouden in acht nemen. Al zijn vroegeren tegenstanders, die zicli nu bij hem wilden aansluiten, beloofde hij vergiffenis, terwijl hij den nieuwen burgers verzekerde, dal hij hunne rechten op het strengste zou handhaven. Dal Sulla de rechle staatkunde gevolgd had, bleek, toen hij in de lente van 83 in de haven van Rrundisium landde. Van alle zijden stroomden hem bondgenoofen toe, niet slechts de vurigste optimalen, zooals Quintus Metellus Pius en Marcus Crassus, maar ook mannen, die zich tol lieden aan de regeerende partij hadden aangesloten, maar die thans niet meer op haar vertrouwden. De aanzienlijkste en invloedrijkste onder hen was Cnejus Pompejus, zoon van Pompejus Strabo, een jongeling, die later den naam ontvangen heeft van Pompejus den Grooten.

Tot nu toe was Pompejus getrouw gebleven aan de regeering; hij had

ook hem niet vertrouwde, en men hem verdacht, dal hij het niet eerlijk met

Sluiten