Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moordaanslag op den consul verhinderde. Ook ditmaal werd Calilina niet gekozen.

Intussclien was de burgeroorlog builen de muren van Rome door Gajus Manlius begonnen, tegen wien een Romeinsch leger onder den veldheer Quinlus Ma reus Rex afgezonden was. In de hoofdstad heerschte eene vreeselijke spanning. Een ieder wist, dal de samenzwering bestond en dal Catilina daarvan het hoofd uitmaakte, dagelijks duchtte men, dat de opstand uitbreken zou en toch durfde de regeering de verraders niet onschadelijk maken, daar haar de schriftelijke bewijzen voor de schuld van Catilina ontbraken. I)e moord van Cicero, zoo werd door de saamgezworenen besloten, zou het sein tot den opstand zijn. In den nacht van den 6en op den 7en November kwamen de eedgenooten nog eens te zamen oin de laatste maatregelen te bespreken. Den volgenden morgen, mei het aanbreken van den dag, rukten zij naar het huis des consuls op, doch weder was hun opzet verraden. Het huis was gesloten en met gewapenden bezet; de moordenaars moesten onverrichter zake aftrekken.

Den volgenden dag, 8 November, riep Cicero den senaat bijeen, om hier andermaal de saamgezworenen aan te klagen. Catilina was onbeschaamd genoeg om in de zitting van den senaat te verschijnen, hij verdedigde zich tegen de verwijten, hem door Cicero voor de voelen geworpen, eu behandelde den consul op de smadelijkste wijze; doch eindelijk was het geduld van de betergezinden '"idee de optimaten uitgeput; de kreet: «vijand en verrader van he' vaderland" verdoofde zijne stem. Nu riep hij woedend uit: «Welaan dan, dewijl ik door mijne vijanden, als het slachtoffer hunner listige aanslagen, naar den afgrond gedreven word, zal ik met puinhoopen den brand blusschen, die mij verleren moet!" Met deze woorden stormde hij het raadhuis uit. en begaf hij zich naar zijne woning. Den eerstvolgenden nacht verliet hij Rome, om zich naar de legerplaats van Manlius te begeven, waar hij zich zelf terstond tot consul uitriep.

Catilina en Manlius werden door den senaat vogelvrij verklaard; de tweede consul, Gajus Antonius Hvbrida, ontving bevel om de opstandelingen met een leger uit elkaar te jagen.

De te Rome achtergebleven eedgenooten zaten intussclien niet stil; zij hadden het plan gevormd om eene volksvergadering te doen beleggen, in die bijeenkomst Cicero te vermoorden en vervolgens de stad op twaalf plaatsen in brand te steken; in de verwarring, door den brand teweeggebracht, zouden de opstandelingen, ondersteund door het leger van buiten, zich van het bewind meester maken.

Cicero werd door Fulvia van al deze plannen onderricht; toch waagde hij het niet, die aanslagen met geweld te verijdelen, voordat hij schriftelijke bewijzen in handen had. Eene toevallige omstandigheid zou hem die verlangde bewijsstukken eindelijk verschatten.

Er bevonden zich te dier lijde afgezanten van een Keltischen volksstam, de Allobrogen, te Rome. De saamgezworenen poogden met hen betrekkingen aan te knoopen; zij hoopten de Kelten in hunne samenzwering te wikkelen en in hen krachtige bondgenooten te vinden. In den beginne stonden de afgezanten in twijfel of zij het hun aangeboden bondgenootschap al dan niet zouden aannemen; doch ten slotte achtten zij het voordeeliger, den consul Cicero de zaak mee te deelen om zich zóó de dankbaarheid van den senaat te verwerven. Volgens Cicero's wensch hielden zij zich, alsof zij niet ongeneigd waren om in de plannen der saamgezworenen te treden en het gelukte hun brieven in handen te krijgen, die door de hoofden der saamgezworenen onderteekend waren. Deze brieven kwamen in Cicero's bezit en thans was deze in staat krachtiger door te tasten.

In alle stille werden de gevaarlijkste aanleggers van het complot gevangen genomen; eenigen weinigen gelukte het te onvluchten; één hunner werd op zijne vlucht ingehaald. De schuld der gevangenen was zonneklaar bewezen.

Sluiten