Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meerderheid zich aan zijne zijde schaarde; het hesluit om de gevangenen ter dood te brengen werd genomen en nog denzelfden avond, den ben December ues jaars 03 \. Chr., len uitvoer geleed. In de onderaardsche gewelven, die aan den voel van liet Capilool gelegen en tot verblijfplaats voor ter dood verooi deelde misdadigers bestemd waren, werden zij bij lak kellicht geworgd, zonder dat eene poging tot hunne bevrijding was gewaagd. Na alloop der strafoetening nep Cicero der rondom staande menigte toe: »de misdadigers zijn dood. Dit woord werd door bet volk met luid gejuich begroet; thans eerst achtten de Romeinen hunne huizen en bezittingen veilig. Zij begeleidden den consul naar zijne woning; in geheel de stad heerschte een vroolijk gewoel. Als redder der republiek werd Cicero met den naam «Vader des vaderlands" begroet, niemand dacht er aan, dat hij de wetten van den staat geschonden en m strijd daarmede liet doodvonnis van den senaat voltrokken had. Catilina was met gelukkiger dan zijne eedgenooten. Twee legers rukten tegen hem op. In het begin van liet jaar 02 werden de beide legioenen, welke Maulius en Catilina langzamerhand rondom zich verzameld hadden, in de bergpassen der Apennijnen omsingeld. Bij Pistoria had het beslissend treden in een door totsen ingesloten dal plaats. Catilina en Manlius streden met eene dapperheid, eene betere zaak waardig. In weerwil hiervan werden zij verslagen en drie duizend man, benevens de beide aanvoerders, bleven op het slagveld.

ACHT EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Onrust te Rome. Caesar in Spanje. Terugkomst van Pompejus. Pompejus, Caesar en Crassus. Het eerste driemanschap. Overwinning der driemannen. Clodius en Cicero. Rechtsgeding en tribunaat van Clodius. Cicero verbannen. De samenkomst te Luca en hare gevolgen. I)e veldtocht tegen de Parthen. Dood van Crassus.

Het gejuich, dat te Rome op de ontmaskering en terechtstelling van de samenzweerders gevolgd was, verstomde spoedig. Alleen de partij der optimaten, die nooit voor eene verkrachting van de wet terugdeinsde, .beroemde zich op bare zegepraal. De verstandige democraten daarentegen zagen spoedig in, «lat (Ie onwettige terechtstelling der samenzweerders niets anders dan een gerechtelijke moord, dan eene schennis van de staatsregeling geweest was. Zij spraken dit luide en openlijk uit en verwijderden zich hierdoor van Cicero, die met de hem eigen onvastheid van beginselen op staatkundig gebied, zich meei en meer aan de optimaten aansloot. Dat ook de groote Pompejus met de gepleegde wetsverkrachting geen vrede had, kwam spoedig aan het licht. Quintus Metellus Nepos, een der ijverigste aanhangers van Pompejus, die zich in den herfst van 03 uit de legerplaats van den veldheer naar Rome begeven bad, ten einde naar het tribunaat te dingen, van wien elkeen wist, dat hij op uitdrukkelijken last van zijn beschermer handelde, leverde bet duidelijkste bewijs, dat Pompejus den gereehtelijken moord afkeurde.

Toen namelijk Cicero, in de laatste dagen van zijn consulaat, volgens gewoonte eene redevoering voor het volk wilde houden, om zijne daden als consul te schetsen en te rechtvaardigen, viel Metellus Nepos, de pas verkozen tribuun, hem in de rede met het woord: »IIij, die Romeinsche burgers ongehoord ter dood gebracht heeft, verdient zelf niet aangehoord te worden". Wel morde het volk hierover, wel stemde het, toen Cicero met luider stemme zwoer, dal hij het vaderland gered had, met dezen eed in, maar zij, die kalmer nadachten, verklaarden, dat Metellus Nepos gelijk had.

Sluiten