Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De tribuun liet zich door deze éene nederlaag niet afschrikken, bij meer dan éene gelegenheid trad hij als tegenstander van Cicero op; telkens werd hij geslagen, doch telkens vernieuwde hij zijne aanvallen, waarbij hij spoedig een machtigen bondgenoot in Gajus Julius Caesar vond. Te zamen kondigden zij een wetsvoorstel aan, volgens hetwelk Pompejus met zijn leger naar Rome geroepen zou worden, om het door de willekeurige maatregelen tegen de aanhangers van Catilina bedreigde vaderland te beschermen. Dit voorstel was eene openlijke oorlogsverklaring aan de senaatspartij, het moest dienen om alle inbreuk op de wet door alle middelen, desnoods door het aanwenden van geweld, onmogelijk te maken. Cato, die insgelijks tot volkstribuun verkozen was, besloot de belangen van de aristocraten te behartigen en hiertoe, in vereeniging met een anderen tribuun, het voordragen van het wetsvoorstel in de volksvergadering te verhinderen. Toen Metellus den schrijver beval, het wetsvoorstel voor te lezen, verbood Cato dit, en toen Metellus hel zelf wilde voorlezen, rukte Cato hem het schrift uit de hand, terwijl een ander tribuun, Quintus Minicius Thermus, den redenaar den mond dicht hield, toen deze het uit zijn geheugen wilde opzeggen. Eene vreeselijke verwarring ontstond er in de vergadering en ofschoon de aanhangers van Metellus de overhand behielden, was het toch onmogelijk, de wet voor te dragen. De senaat, die besloten had den strijd tot het uiterste door te zetten, schond opnieuw de wet, dooiden onschendbaren en onafzetbaren volkstribuun van zijn ambt te ontzetten en insgelijks Caesar, die toen praetor was, van zijn ambt vervallen te verklaren.

Metellus gaf den strijd op en vluchtte tot Pompejus. Caesar daarentegen ging, zonder zich aan de bedreigingen van den senaat te storen, voort met het bekleeden van zijn ambt, totdat de senaat dreigde hem met geweld van den rechterstoel te laten scheuren.

Nu eerst bukte hij voor hel geweld, hij ontsloeg zijne lictoren en hield op recht te spreken. Caesar was de lieveling van het Romeinsche volk geworden; toen het gerucht van zijne met geweld doorgedreven afzetting zich door de hoofdstad verbreidde, verzamelde eene onstuimige menigte zich voor zijn huis en eischte, dat hij, ook tegen den wil van den senaat, zon voortgaan zijne ambtsplichten uit te oefenen. Slechts met moeite gelukte het Caesar, den woedenden hoop tot bedaren te brengen; hij verklaarde, dat hij zich aan de bevelen van den senaat zou onderwerpen en dat hij niet wilde, dat er om zijnentwil oproer zou ontstaan. Het was een weldoordachte slap, want Caesar kende den vreesachtigen senaat te goed om niet te weten, welke gevolgen zijne gedweeheid hebben zou. De senatoren verkondigden openlijk den lof van den gehoorzamen praetor; zij namen hun besluit, waarbij hij van zijn ambt ontzet was, terug en zonden hem, tot zijne groote voldoening, na het verstrijken van zijn ambtsjaar, als propraetor naar Spanje. Hij had dit stadhouderschap niet kunnen aannemen, daar hij met schulden overladen was en zijne schuldeischers hem niet uit Rome wilden laten vertrekken, indien niet Crassus hem had bijgestaan, door voor eene ontzaglijke som borg te blijven. In Spanje gaf hij in meer of minder belangrijke gevechten blijken van groote bekwaamheid als veldheer. Men verhaalt, dat hij gedurende zijn verblijf in dit wingewest door een klein, ellendig stadje trok; een van zijne reisgezellen vroeg hem, of in dit nest, evenals in de wereldstad Rome, ook een voortdurende strijd om het bewind gevoerd werd. Caesar gaf hem het karakteristieke antwoord: «Ik wilde liever de eerste in deze kleine stad, dan de tweede te Rome zijn.' In de wijze, waarop hij zich van zijn plicht als stadhouder kweet, beloonde Caesar zich niet meer en niet minder baatzuchtig dan zijne ambtgenooten in de overige provinciën. Hij schraapte zoovele schatten bijeen, dat hij in één jaar al zijne schulden betalen kon.

Al had in de burgertwisten, die op de samenzwering van Catilina gevolgd waren, de partij der optimaten de overhand behouden, toch voelde zij zich niet zeker van hare overwinning; met schrik zag zij de terugkomst van Pompejus

Sluiten