Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat Pompejus, ternauwernood bij Brundisium geland, zijne legioenen ontbonden en met een klein gevolg de reis naar de hoofdstad aanvaard bad. \\ anneer het een geluk is, zonder eenige moeite eene kroon te winnen, dan heeft de fortuin nooit voor iemand meer gedaan dan voor Pompejus, maar aan een man zonder

moed verkwisten de goden tevergeefs alle gunst en gaven.'

Waf geene der partijen mogelijk bad geacht, geschiedde: Pompejus keerde naar Rome terug, niet als veldheer aan bet hoofd zijns legers, maar als eenvoudig ambteloos burger. Zijne tegenstanders herademden; zij vatten nieuwen moed, besloten den staatkundigen strijd tegen hem te beginnen en sloegen de handen ineen. Lucullus. de oude vijand van Pompejus, verliet zijn landgoed om zich met Cato, met Metellus Creticus, met Crassus, Metellus Celer en andere optimaten te verbinden. Toen Pompejus in 't begin van het jaar 61. in, of liever voor Rome aankwam, dewijl bij tot aan zijn zegetocht de stad zelf niet betreden mocht, trof bij in den senaat eene vast aaneengesloten oppositie aan. Zijne meeste vroegere vrienden waren hem ontrouw geworden, alleen Cicero sloot zich bij hem aan. Pompejus zou weldra de treurige ondervinding opdoen, dat de belangrijke diensten, door hem aan de republiek bewezen, wel voor het oog erkend werden in den luisterrijken zegetocht, die hem bereidwillig werd toegestaan, maar dat de senaat zich door dit alles niet bewegen liet om zijne rechlmatigste eischen in te willigen. Hij begeerde, namelijk, dat men hem tot consul benoemen, de door hem in Azië genomen beschikkingen bekrachtigen, en de beloften, door hem aan zijne troepen gedaan, ten aanzien van eene uitdeeling van landerijen aan de veteranen, vervullen zou. Aan geen enkele dezer eischen werd door den senaat voldaan en ook toen de met Pompejus bevriende volkstribuun Lucius Flavius, de akkerwet, waarbij tot de verdeeling van landerijen aan de soldaten van Pompejus besloten werd, aan het volk voorstelde, stuitte hij op een onverwachten tegenstand. De consul Metellus Celer, een oud vijand van Pompejus, bestreed de voordracht met echt Romeinsche onverzettelijkheid. Flavius maakte van zijn recht als tribuun gebruik om Metellus gevangen te zetten, doch hij fnuikte daardoor den tegenstand des consuls niet; deze riep den senaat in zijne gevangenis bijeen, en toen de tribuun zijn zetel voor de poort des kerkers plaatsen liet en zich daarop nederzette, om den senatoren hel binnentreden te beletten, gaf Metellus bevel om den muur uit te breken, opdat de senatoren door deze opening zouden kunnen binnengaan. Op verlangen van Pompejus, die niet wilde, dat erom zijnentwil nog meer geweld zou gebruikt worden, verliet de tribuun de poort der gevangenis. Pompejus was geheel geslagen, elke wettige weg om zijne rechtmatige eischen ingewilligd te zien, was hem afgesneden. Alles wat hij in Azië tot stand gebracht had, zag hij op losse schroeven gezet, de beloften, door hein aan zijne soldaten gedaan, moesten onvervuld blijven. Wel zon het hem niet de minste moeite gekost hebben, zijne krijgers, die slechts op zijn wenk wachtten, weer rondom de adelaars te scharen, door middel van zijne onnoemlijke schatten binnen korten tijd een leger op de been te brengen, en met geweld van wapenen zich dat alles te verschaffen wat de onwillige senatoren hem niet wilden toestaan. Doch zulk een weg in te slaan, achtte hij beneden zich; hij bleef aan zijne eigen beginselen getrouw. In dezen hachelijken toestand vond bij eensklaps een bondgenoot, die zich nauw bij hem aansloot, in den uit Spanje teruggekeerden Gajus Julius Caesar. Deze had daar gelukkig gestreden, hij mocht aanspraak maken op het houden van een triomftocht en wenschte van dit recht dan ook gebruik te maken, maar van meer gewicht was in zijne oogen bet verkrijgen van de waardigheid van consul. Hij had daarom tot den senaat het verzoek gericht, dat men, ofschoon hij afwezig was, bij die verkiezing de aandacht op hem mocht vestigen, doch dit verzoek was ten gevolge van de bestrijding van Cato afgeslagen. Dewijl Caesar, wanneer hij een zegetocht houden wilde, tot aan die plechtigheid buiten de stad blijven moest, zou hem daardoor het dingen naar het consulaat

Sluiten