Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en dit no" te minder, toen velen, die vroeger om staatkundige redenen liet land hadden verlaten. zich ook weder bij hem aansloten. Deze laatsten waren voor het grootste gedeelte aanhangers geweest van Catilina, verbannen optimaten die te midden van de beroeringen der anarchie zich gouden bergen voor de toekomst beloofden. In hunne verbeelding hadden zij weder als vroeger, proscriptielijsten voor oogen, welke (zoo dacht vriend en ujand) Caesar weder zou invoeren, wanneer hij meester van Rome was.

Zoo bezat Caesar geene andere hulpmiddelen, dan zijn verknocht leger en de toegenegenheid der bevolking in de provincie Cisalpijnsch Gallië, ahvaai hij zich door een mild bestuur geliefd gemaakt had. Pompejus daarentegen had niet alleen te beschikken over de strijdmacht en de ondersteuning van geheel Italië, maar ook over de hulpbronnen der rijke provinciën en van Rome's bondgenooten. Geheel de adel. de ridderschap en het grootste gedeelte der burgers allen, die de gruwelen van een burgeroorlog vreesden, stonden hem ter zijde. Hij werd. ondanks de wetsverkrachting, waaraan hij zich 111 den laatsten tijd schuldig gemaakt had, als de voorvechter der wettige regeering beschouwd, daar hij handelde op last den senaat. Cae>ai daarentegen als de ultra-democraat, en tevens als pretendent naar de kroon. Over alle havens waar zich een gedeelte der vloot bevond, had Pompejus slechts te beschikken, en hij kon dus op het uitgestrekte gebied der republiek overal troepen in- en ontschepen. Doch voor liet oogenbhk stond hij, evenals Caesar, aan het hoofd van eene geringe krijgsmacht, ongeveer 2 legioenen steik, die bij Capua gelegerd was. Maar op deze strijders viel niet veel te rekenen; want zij hadden vroeger reeds onder. Caesar in GaIIie gediend.

Gebrek aan noodige troepen was echter \oor Pompejus genngei bezwaar, dan wel het verbond, dal hij met de optimaten had gesloten. Hunne wederspannigheid in het nakomen der bevelen en hun wantrouwen jegens den voormallen leider der democratische partij waren oorzaak van gebrek aan eenheid bij d°e partij van Pompejus: en juist aan eenheid ontleende Caesar kracht.

Deze rekende dan ook op de onderlinge verdeeldheid zijner vijanden, toen hij met slechts één legioen, den strijd tegen zijn mededingei begon. Zondei tegenstand te ontmoeten, Irok hij naar het zuiden, en overal schaarden zich de oude soldaten onder zijn adelaar. Met den dag werd zijn leger grooter. en spoedig was hij meester van alle plaatsen, die hem hel bezit van Etrune en

Umbrië verzekerden. , ,, ,

Pompejus had zich weder naar Rome begeven en vernam aldaar de tijding dat Caesar in aantocht was. lil hel begin wilde hij de stad verdedigen doch toen hij den algemeenen schrik ontwaarde, die de burgers bevangen had, zag hij van dit plan af, en trok naar Cainpanië terug, waarheen zijne aanhangers en een groot aantal senatoren hem volgden. ,,,,,, .

Er werd een besluit afgekondigd, volgens hetwelk alle leden van den senaat als vijanden des vaderlands zouden beschouwd worden indien zij te Rome achterbleven. De aanzienlijkste Romeinen verlieten aldus de hoofdstad, om zich in Campanië te vereenigen. , • ,

De hoofden der optimaten waren ten einde raad; de consuls gunden zich den tijd niet oin de staatskas te redden, maar vloden ijlings heen. Te Teanum Sidicinum vereenigden zij zich weder en belegden zij knjgsiaad. Hun eerste schrik kwam eenigszins tot bedaren, ja zij waagden het zelfs, eenige schikkingen, die Caesar hun voorsloeg, van de hand te wijzen. Die zoogenaamde gunst, welke door Caesar aan Pompejus aangeboden werd, weigerde deze aan te nemen, ten einde bij den ontrouwen bondgenoot niet in verdenking te komen, dat het hem te doen was om eene vernieuwing van den ouden band.

Van Campanië begaf Pompejus zich naar Lucanië en Apulië, waai de beide legioenen stonden, die vroeger onder Caesar gestreden hadden. Lucius Domitius Ahenobarbus, een onstuimig optimaat, bracht intusschen een legei van 20,000 man bijeen; in de hoop dat Pompejus zich spoedig bij hem

Sluiten