Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rome gedurende Caesars afwezigheid.

537

maatregelen, dooi' Cnejus Pompejus aanbevolen. Hij ontveinsde zich niet, dat zijne partij verloren was, en ofschoon hij, wat zijn persoon betreft, vast besloten had, tot den laatsten ademtocht te strijden en den dood te verkiezen boven eene smadelijke onderwerping, toch wilde hij niet van anderen betzelfde vergen. Hij verklaarde, dat het, zoolang de republiek in gevaar verkeerde, een recht en eene verplichting van elk rechtgeaard vaderlander was geweest, de lauwe burgers tot deelneming aan den strijd op te wekken, maar dat men. sinds zij vernietigd was, geen recht meer had, te eischen dat anderen zich voor haar zouden opofferen. Op dezen grond had hij zelf allen, die naar Italië wenschten terug te keeren, zonder aarzelen uit den krijgsdienst ontslagen.

De krijgsraad kon het niet eens worden en ging uit elkaar, zonder een besluit te hebben genomen, de verschillende veldbeeren handelden allen naar eigen goeddunken. De meesten begaven zich eindelijk naar Afrika, om hier de aristocratisch-republikeinsche partij opnieuw te organiseeren en in vereeniging met koning Juba van Numidië den strijd verder voort te zetten. Anderen vonden bet verkieselijker den oorlog op hunne eigen hand te gaan voeren; zij bemachtigden eenige schepen en rustten die tot den zeeroof uit. Slechts enkelen, waaronder ook Cicero, keerden naar Italië terug, in de hoop, zich met Caesar te kunnen verzoenen.

Rome was, terwijl Caesar in Griekenland en Egypte streed, weer hel tooneel van inwendige beroerten geweest. Nauwelijks had" Caesar Italië verlaten, of een zijner ijverigste aanhangers, de praetor Mareus Caelius Rufus, besloot van zijne afwezigheid partij te trekken, om eene wet te doen aannemen, welke hem en vele zijner vrienden en geestverwanten moest ontslaan van de lastige verplichting tot het betalen van hunne schulden.

Hij eischte, dat allen schuldenaars een tijdperk van zes jaren zou worden toegestaan, gedurende hetwelk zij geene renten behoefden te betalen, en toen deze poging mislukte, diende bij een tweede voorstel in, dat nog veel verder ging, volgens hetwelk alle aanspraken van hen, die geld ter leen hadden gegeven of hunne buizen aan anderen verhuurd hadden, vernietigd moesten worden. De senaat ontzette hem, op grond van dit voorstel, van zijn ambt.

Dit gebeurde juist in den tijd, toen Caesar door bet leger van Pompejus in Griekenland ernstig bedreigd werd. Te Rome was het gerucht verbreid, dat zijn toestand meer dan bedenkelijk, ja zijn ondergang onvermijdelijk was. Van deze omstandigheid poogde Rufus partij te trekken. Hij verbond zich met vrienden van Pompejus en riep den ouden krijgsbevelhebber Milo uit Massilia, waarheen hij verbannen was, naar Italië terug, om in vereeniging met hem een opstand legen Caesar te doen uitbarsten. Milo kwam, riep in den omtrek van Thurii de Pompejanen onder de wapenen, schonk aan een groot aantal slaven de vrijheid, lijfde hen bij zijne troepen in en rukte met deze krijgsmacht naar Capua op, om deze stad te bemachtigen. Hij werd afgeslagen en sneuvelde kort daarop met zijn bondgenoot Rufus in een gevecht; de opstand werd zonder veel moeite onderdrukt.

Toen het eerste bericht van den slag bij Pharsalus te Rome aankwam, vond het hier ternauwernood geloof. De geheele burgerij meende vast en zeker, dat Pompejus de overwinning behalen zou. Doch toen de tijding bevestigd werd, toen men hoorde dal Pompejus dood was, toen Caesar den zegelring van den vermoorde naar Rome zond, veranderde de stemming wel niet bij hel volk, maar bij den senaat. De senatoren deden thans hun best om door de meest slaafsche onderdanigheid en door walgelijke vleierij de gunst des overwinnaars te verwerven. Zij lieten voor Caesar eerezuilen oprichten , verleenden hem het onbeperkte recht om oorlog te voeren en vrede te sluiten, en over dood en leven van Pompejus' aanhangers te beschikken, om de provinciën te verdeelen en alle staatsambtenaren te kiezen. Daarenboven verklaarden zij hem voor onschendbaar en benoemden zij hem tot consul voor den tijd van vijf jaren en tot dictator voor een jaar. Dio Cassius, die ons omtrent al deze

Sluiten