Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\an het leger; de stad Ulica, waarover het hevel hem werd toevertrouwd, werd opnieuw versterkt. Alleen aan zijne doortastende maatregelen had men liet te danken, dat weldra 10 legioenen onder de wapens stonden, waarhij nog t legioenen en 120 olifanten van koning Juba, benevens eene vloot van aa schepen kwamen. Tegen dit machtig leger, hetwelk niet minder sterk was dan dat, hetwelk Pompejus in den slag bij Pharsalus had aangevoerd, moest Caesar den strijd ondernemen met de 3000 man, die hij bij Adrumetum ontscheept had. Had Metellus Scipio van zijne overmacht partij getrokken, om het kleine hoopje te vernietigen, Caesar ware reddeloos verloren geweest. Doch Melellus was een onbekwaam veldheer, die zijne macht noodeloos versnipperde. Ltoor zijne werkeloosheid won Caesar tijd; wel kwam hij dikwijls hij kleine schermutselingen in dreigend gevaar, maar het gelukte hem toch, zich in zijne verstel kte legerplaats staande te houden. Zijne door den storm verstrooide schepen verzamelden zich; de manschappen zijner vloot voegden zich hij hem, hij kon versterking van Sicilië ontbieden en weinige maanden na zijne landing was hij reeds sterk genoeg om zich niet langer tot de verdediging \an zijne stelling te bepalen, maar ook aanvallenderwijze te werk le gaan.

Den Gen Apiil 47 kwam het bij Thapsus tot een beslissenden slag. waarin Caesar nieuwe proeven leverde van zijn schitterend veldheerstalent. De Pompejanen en JNumidiërs werden niet alleen geslagen, maar hun leger werd letterlijk vernietigd. Met teugellooze woede vervolgden Caesars soldaten hunne Mjanden. om wraak te nemen voor de wreedheid, waarmede deze lot dusverre de gevangenen uil Caesars leger hadden doen ter dood brengen; zij vergrepen zich zelfs aan hunne eigen aanvoerders, die aan het bloedvergieten paal en Pe k" Ti! s'e"en> ^en verhaalt, dat ongeveer 50,000 Pompejanen in den slag dij lliapsus gesneuveld zijn, terwijl het verlies van Caesar slechts op »0 man wordt opgegeven.

Door dezen éénen veldslag was de oorlog geëindigd: de Afrikaansche steden ga\ en zich over, Caesar kon gericht houden over zijne tegenstanders. Hij gedroeg zich ook thans edelmoediger dan zijne vijanden hadden durven verwachten, want hij achtte alle noodelooze wreedheid beneden zich. Ten einde met lot bloedige maatregelen genoodzaakt te worden, liet hij de in het hoofdkwartier te Thapsus gevonden papieren ongelezen verbranden; hetzelfde had "J '"J * harsalus met de papieren van Pompejus gedaan.

i De gemeene soldaten, die in zijne handen vielen, werden niet gestraft, de bevelhebbers óf verbannen óf van hunne bezittingen beroofd; alleen zij, die ïeeds eenmaal de wapenen tegen Caesar gevoerd en toen genade ontvangen hadden, werden ter dood veroordeeld. Wel viel toen menig hoofd, maar zelfs Oaesars vijanden moesten erkennen, dat hij zich veel zachtmoediger gedroeg dan eenig Romein van zijne dagen.

Dij het regelen van de zaken in Afrika vergrootte de veroveraar de Romeinsche provincie met het belangrijkste en vruchtbaarste gedeelte van hel koninkrijk iNumidië, terwijl hij de meer afgelegen gewesten van dal rijk aan de Alrikaansche vorsten schonk, die zijne partij gekozen hadden.

... T, 1 was ^en hoofden der Pompejaansche partij gelukt, aan de slachting • ar,sus ontkomen, maar alleen Labienus, Attius Varus en Sextus Pompejus j bereikten zonder tegenspoed Syrië. De overigen stierven spoedig na den slag, de meesten door zelfmoord. Metellus Scipio doorboorde zich, toen hij op het punt was van gevangen le worden genomen, met zijn zwaard, daar hij overtuigd was, van Caesar geene genade te zullen verwerven. Afranius werd vermoord. Koning Juba had besloten, aan zijn leven een einde te maken, zoo als dit in zijne schatting een Numidische koning waardig was.

*> Cue.jus Pompejus was reeds vóór den slag bij Thapsus naar Spanje gegaan, om zich aan het hoofd te stellen van een opstand, die daar tegen Caesar was uitgebroken.

Sluiten