Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geachte naam hen tegen de woede des volks in bescherming kon nemen indien de daad eenmaal volbracht was. Zulk een man ware wellicht Cicero geweest doch dezen kon men nog niet onvoorwaardelijk vertrouwen, ofschoon men wel wist. dat hij de daad, wanneer zij eenmaal volvoerd was, zou goedkeuren; wel kende men zijn haat tegen Caesar, doch zijne besluiteloosheid en wankelmoedigheid waren evenzeer bekend. Daarom wendden zij den blik op een ander, die om onbesproken zeden, rechtschapenheid en welsprekendheid niet ten onrechte de algemeene achting genoot, op Marcus Junius Brutus.

Brutus had zich vroeger bij de republikeinen aangesloten, ofschoon hij van nature hun vijandig gezind was, want Pompejus had zijn vader, bij den opstand van Lepidus, gedood. Hierbij stond hij in nauwe betrekking tot Caesar; zijne moeder Servilia, zuster van Cato, was met Caesar verloofd geweest, en het gerucht ging, dat Caesar zelf Brutus voor zijn zoon hield. De ijver, waarmede Caesar na den slag van Pharsalus bezield was om voor het leven van den gevangen Brutus te waken, versterkte dat gerucht nog te meer.

Marcus Junius Brutus, die, zooals verhaald wordt, tol het geslacht behoorde van den grondlegger der republiek, daar hij een neef en de schoonzoon van Cato was, wiens edele dochter Porcia hij gehuwd had, was een yverig en rechtschapen republikein, die bij het volk in hoog aanzien stond. Deze was het aangewezen hoofd der saamgezworenen; zij zochten hem dus voor hunne partij te winnen, en stelden daartoe allerlei listen in het werk Aan een der standbeelden zijner voorouders hechtten zij op zekeren nacht een briefje met de woorden: »Waart gij nog in leven!" Op den ambtszetel van Brutus tiij was praetor legden zij een geschrift met de woorden: «Brutus, gij slaapt! Den anderen dag las hij daar: «Gij zijt geen ware Brutus!"

Cassius nam den last op zich. om, wanneer Brutus genoegzaam was voorbereid, dezen tot deelneming aan de samenzwering te bewegen: dit gelukte. Doch moest alleen Caesar uit den weg worden geruimd? Velen wenschten dat ook de meest geduchte aanhangers van den tiran, bovenal de woeste Antonius. Caesars rechterhand, in het lot van hun meester zouden deelen. doch hiervan wilde Biulus niet hooren. Den dood van Caesar beschouwde hij als eene treurige noodzakelijkheid, doch tot verdere moordaanslagen wilde hij zich niet leenen. J

Nadat Brutus zich bij het eedgespan had aangesloten, traden ook nog anderen toe; hun aantal steeg tot 40 mannen, die tot de voornaamste famihën behoorden.

Op den la™ Maart 44 zou de aanslag ondernomen worden. De saamgezworenen hadden hiertoe eene senaatsvergadering uilgekozen. De maatregelen voor den strijd legen de Parthen waren reeds genomen, en Caesar had °voor den tijd. gedurende welken hij afwezig zou moeten zijn, Publius Dolabella en Marcus Antomus tot consuls bestemd. De zitting van den laen Maart zou de laatste vóór den veldtocht zijn, en gelijk men vertelde, tevens strekken om nader te beraadslagen over hetgeen in de Sibvllinische boeken omtrent Caesars koningsschap geprofeteerd was.

Eene zaal in den schouwburg van Pompejus was voor de bijeenkomst bestemd. Caesars gouden zetel was geplaatst onder het standbeeld van zijn tegenstander; de saamgezworenen waren tegenwoordig en hielden allen een dolk onder hun kleed verborgen. Caesar was echter nog niet gekomen- hij verscheen ditmaal later dan gewoonlijk.

Zijne gemalin Calpurnia, door een akeligen droom verschrikt, had hem gesmeekt te huis te blijven. Decimus Brutus. een der saamgezworenen, tegen wien Caesar niet het minste wantrouwen kon koesteren, werd tot hem afgezonden en haalde hem over om in de vergadering te verschijnen.

Onderweg ontmoette hem een waarzegger, die hem voor de dagen van Maart gewaarschuwd had. Caesar sprak dezen spottend aan, doch kreeg ten antwoord: «Zij zijn nog niet voorbij!" Het bijgeloof der Romeinen heeft aan

Sluiten