Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bewoners van Italië hadden nu volle gelegenheid om zich te verblijden in de zegeningen, door de alleenheerschappij van Octavianus hun aangebracht. Zij werden niet alleen door de roovers, maar evenzeer door de geregelde troepen uitgeplunderd. De velden bleven onbebouwd liggen, want de boeren wilden niet zaaien voor vreemden. Daarbij bleven de aanvoeren van koren uit Sicilië weg, want de vloot van Sexlus Pompejus en van Domitius Ahenobarbus maakte de zeevaart onveilig, en meermalen landden zij zelfs aan de kusten, om de open sleden te brandschatten.

Dagelijks vielen er bloedige gevechten voor. niet alleen in de kleinere sleden van Italië, maar ook te Rome zelf; de woeste soldaten beschouwden zich zeil als de meesters van het land, zij roofden en plunderden naar goedvinden en sloegen zelfs de bevelen hunner aanvoerders in den wind. Toen op zekeren tijd een centurion uit naam van Nonnius hun gebood ten minste den opperbevelhebber Octavianus de verschuldigde eer te bewijzen, doodden hem de woestelingen en wierpen ze zijn lijk op den weg. waarlangs Octavianus juist komen moest. Alleen het ruw geweld zal in Italië op den troon. Octavianus durfde de muiters niet eens straffen, daar hij hun immers zijne macht verschuldigd was.

Fulvia, de heerschzuchtige en doortastende echtgenoot van Antonius, trok van de bestaande regeeringloosheid partij om voor haar echlgenoot den weg naar de heerschappij ook over Italië te banen. In vereeniging met haar zwager Lucius Antonius, die juist consul was, stelde zij zich in de bres voor allen, die in strijd met de wet van hunne landerijen verdreven waren. Zij beloofde openlijk, dat Antonius de van hunne bezittingen beroofden op eene andere wijze schadeloos stellen zou, dat hij bereid was 0111 de republikeinsche staatsregeling te herstellen en een einde te maken aan het gehate driemanschap. Zij riep daarom alle vrienden en voorvechters van de wel onder de wapenen.

In den herfst van het jaar 41 ontbrandde de strijd, die voor Octavianus weldra een dreigend aanzien kreeg, want uit Gallië kwam Publius Ventidius, de legaat van Antonius, met eene aanzienlijke krijgsmacht aanrukken, om zich met de troepen van Lucius Antonius te vereenigen.

Octavianus greep alle hem ten dienste staande middelen aan om Fulvia en Lucius Antonius ten onder te brengen, voordat Ventidius zich met hen vereenigen kon; hij plunderde zelfs de heiligdommen, om slechts geld genoeg tot betaling van zijne krijgslieden te verkrijgen. Zijne sluwheid, vastberadenheid en geestkracht verschaften hem eindelijk de overwinning. Na meer dan een onbeslist gevecht dwong hij Lucius Antonius om naar Perusia terug te trekken, en belegerde daar zijn tegenstander. De nauw ingesloten stad moesl zich, nadat de voorraad levensmiddelen geheel uitgeput was, tegen het einde van den winter overgeven. Octavianus, die den tijd nog niet gekomen achtte om onherroepelijk met Marcus Antonius te breken, stond aan Lucius en zijne troepen lijfsbehoud toe en liet Fulvia oogluikend naar Griekenland ontvluchten. Daarentegen maakte hij van deze gunstige gelegenheid gebruik om van de gevangenen, die fe Perusia in zijne handen vielen, allen door beulshanden Ie doen ombrengen, die zich bij Lucius Antonius hadden aangesloten, in de hoop, dat deze de republiek herstellen zou. Het stadsbestuur van Perusia werd met 400 Romeinsche burgers, trouwe voorstanders van de republiek, grootendeels ridders en senatoren, koelbloedig vermoord.

Antonius, die, terwijl zijn broeder voor hem streed, al de weelde van het Egyptische hof met volle teugen inzwelgde, werd door het bericht van hetgeen er in Italië was voorgevallen onzacht uit zijne zoete rust gewekt. Te gelijk ontving hij van eene andere zijde eene krachtige aansporing tot nieuwe werkzaamheid: twee groote Parthische legers trokken moordend en roovend Klein-Azië, Syrië en Palaeslina door. Het eene werd aangevoerd door den Parlhischen koningszoon Pacorus, het andere door Titus Labienus, den zoon

Sluiten