Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

westen betwisten, daarom deed hij al liet mogelijke om Antonius zeil in de gunst des volks te doen dalen. Had deze evenals vroeger schitterende overwinningen op de oosterlingen, ditmaal de Parthen, behaald, dan zouden de Romeinen hem wellicht zijne losbandige, op de leest van een Aziatisch despoot geschoeide leefwijze vergeven hebben. Doch ook dit was niet het geval, want op zijn veldtocht oogstte hij weinig roem in; en dat hij door list en verraad wraak nam op Artavasdes, koning van Armenië, dien hij onttroonde en met zilveren ketenen beladen gevankelijk met zich voerde, dat hij een zegetocht binnen Alexandrië hield, geheel in strijd met de gewoonten der Romeinen, welke alleen het houden van een triomftocht binnen Rome veroorloofden, dit alles gaf aan de verbittering des volks nieuw voedsel.

Octavianus had dus gemakkelijk spel. toen hij in het jaar 32 besloot, openlijk met zijn vroegeren bondgenoot te breken. Deze zelf had hem daartoe den weg gebaand, door meer dan ééne beschuldiging tegen zijn mededinger in den senaat te doen inbrengen en door te verklaren, dat hij zijn ambt als triumvir wilde neerleggen.

In het jaar 32 waren Cnejus Domitius Ahenobarbus en Gajus Sosius, twee warme aanhangers van Antonius, consuls. Den len Juni 32 traden beiden in den senaat op, om zware aanklachten tegen Octavianus in te brengen. Eenige dagen daarna verscheen deze zelf in den senaat, vergezeld door een aantal met dolken gewapende vrienden. Daar hij besloten had, thans voor goed met Antonius te breken, slingerde hij dezen de heiligste beschuldigingen naar het hoofd, terwijl hij zich bereid verklaarde om de gegrondheid zijner aanklacht in de volgende zitting van den senaat te bewijzen.

Geen enkel woord van tegenspraak werd vernomen; de consuls zagen in, dat zij alleen stonden. Zij durfden zich aan de wraak van Octavianus niet blootstellen en wachtten dus de volgende zitting niet af, maar vluchtten reeds voor dien tijd uit Rome, om zich onder bescherming van Antonius te stellen.

Zoodra deze bericht had ontvangen van hetgeen er te Rome voorgevallen was, rustte hij zich tol den oorlog toe. Een leger van 17 legioenen werd door den legaat Publius Cassidius Crassus bijeengebracht, terwijl Antonius zeil met de vloot eerst naar Epirus en vervolgens naar Athene zeilde. Cleopatra vergezelde hem. Aan hare zijde vierde hij op dezen ganschen tocht de prachtigste feesten, zonder zich aan de waarschuwing zijner vrienden te storen. Tevergeefs hielden zij hem voor oogen, dat hij alleen door de verwijdering van Cleopatra het vertrouwen der Romeinen herwinnen kon, daar zijne betrekking tot de Egyptische koningin zelfs zijne trouwste vrienden van hem vervreemdde.

In plaats van naar dien welgemeenden raad te luisteren, zond hij zelfs uit Athene aan zijne gemalin Octavia den vormelijken scheidbrief toe.

Terstond deden de gevolgen van zijn overmoed zich gevoelen. Een groot aantal aanzienlijke mannen, die tot dusver zijne getrouwe vrienden waren geweest, verlieten hem en begaven zich tot Octavianus, wien zij mededeelden, dat Antonius zijn testament aan de Vestaalsche priesteressen ter bewaring had toevertrouwd. Octavianus, die begreep, dat zulk een document hem rijke stof tot aanklachten tegen zijn vijand kon opleveren, ontzag zich niet, de heiligheid van den tempel van Vesta te schenden en zich van het testament meester te maken, dat hij aan den senaat en aan het volk meedeelde.

Het was juist geschikt om de reeds bestaande verbittering nog te doen toenemen, want het bewees opnieuw, dat Antonius zich geheel en al aan Cleopatra had overgegeven; onder anderen bepaalde hij hierin, dat zijn lijk, zelfs wanneer hij binnen Rome mocht overlijden, naar Egypte gevoerd en met dal van Cleopatra in één graf bijgezet moest worden.

Het viel Octavianus thans te lichter, van den senaat verlof te verkrijgen, om aan Antonius den oorlog te verklaren, daar hij voorzichtig, ten einde al de schuld van den oorlog op zijn tegenstander te werpen, voorstelde, dat niet

Sluiten