Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onafgebroken op zijne plaats, om dit schouwspel, boven alles geliefd, met dezelfde hartstochtelijke opmerkzaamheid gade te slaan.

Hoe groot de opgewondenheid der toeschouwers bij de spelen in den circus ook mocht zijn, grooter was zij echter nog in het amphitheater, de schouwplaats van den strijd der gladiatoren en tevens der dierengevechten.

In den laatsten tijd der republiek, ja zelfs gedurende den keizertijd, bestond er voor de ontaarde Romeinen geen grooter genot, dan het schouwspel van gladiatoren, die op leven en dood met elkander streden.

De onmenschelijke toeschouwers volgden met eene schier onverklaarbare belangstelling deze bloedige gevechten. In plaats van medelijden te toonen met gewonden of stervenden, werden zelfs de gevechten van menschen tegen de wilde dieren met den grootsten wellust aanschouwd.

I)e ongehoorde barbaarschheid, door welke het Romeinsche volk zich had berucht gemaakt in zijne binnen- en buitenlandsche oorlogen, vond voornamelijk haar oorsprong in het bijwonen van bovengenoemde bloedige tooneelen. die zelfs niet door vrouwen geschuwd werden.

De gevechten der gladiatoren waren eerst in later tijd (± 500 jaar na de stichting van Rome uit Campanië en Etrurië overgebracht. Aanvankelijk dienden zij slechts als begrafenisspelen, eerst later koinen zij als algemeene volksfeesten voor. Daarom bestond ook geen vaste schouwburg voor deze vermaken. Het amphitheater werd van tijd tot tijd opgeslagen en vervolgens weder afgebroken: in het jaar 44 v. Chr. werd op Caesars bevel, het eerste vaste amphitheater te Rome uit hout opgetrokken.

De gladiatoren of zwaardvechters waren meestal krijgsgevangenen, slaven of misdadigers, die, in plaats van tot den dood, tot den strijd in de arena (de met zand bedekte kampplaats) veroordeeld waren; somtijds ook vrije mannen. die, deels aangespoord door woesten strijdlust, deels gedwongen door armoede en gebrek, liet onteerend bedrijf aanvaardden. Rij hunne opneming in de gladiatorenscholen, moesten zij den afschuweiijken eed zweren, dat zij bereid waren om door geeselslagen, door vuur of door staal den dood te ondergaan.

De aanzienlijke prijs, die den overwinnaar was uitgeloofd, de prachtige wapenrusting, waarmede de gladiatoren zich tooiden, de algemeene toejuiching, waarmede de overwinnaar werd begroet, de roem, die hun daarvoor niet alleen bij het gemeen, maar ook bij de meer aanzienlijken tc beurt viel, verzoende hen met het gevaarlijke van den strijd, met de dierlijke behandeling, die zij gedurende het gevecht te verduren hadden, en plaatste het eerlooze van hun bedrijf in eenigszins gunstiger licht.

Hoe sterker de begeerte naar bovengenoemde tooneelen zich bij het volk openbaarde, des te meer nam ook het aantal der kampioenen toe. Het was voor de wreede toeschouwers niet meer voldoende, een paar vechtenden elkander te zien verscheuren; het bloed moest bij stroomen vloeien.

In de arena werden eindelijk nog gevechten geleverd, aan welke honderden deel namen, waardoor de grond als met lijken bezaaid werd. Later, in den keizertijd, groeide dit aantal tot duizenden aan; reeds Caesar bracht in het jaar 65 v. Chr., voor de openbare spelen zooveel gladiatoren bijeen, dat hij 320 paar kon doen optreden.

Eenige aanzienlijke Romeinen dreven zelfs in deze gladiatoren zekeren handel, die bijzonder winstgevend was, want de koopwaar was gezochl en moest ieder jaar aangevuld worden, dewijl duizenden gladiatoren omkwamen in de spelen, welke in alle steden van Italië gehouden werden.

Zelfs ontzagen de edelen zich niet, de gladiatoren, welke zij gewoonlijk als lijfwacht gebruikten, tot lioogen prijs voor de kampspelen te verhuren of ook te verkoopen, hoewel genoemde handel even onteerend werd beschouwd als het bloedig bedrijf zelf.

Zij, die belast waren met het onderricht van de gladiatoren (lanistae)

Sluiten