Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dragen werd als de hoogste eer en als het dierbaarst recht van den vrijen Germaan beschouwd.

De priester gebood stille; de gouwgraaf nam het woord, hierop wisselde men van gedachten over de wetten of men spande de vierschaar en sprak recht.

Een ieder had het recht om te spreken, allen stonden gelijk, door eene eenvoudige stemming werden wetten vastgesteld of verworpen, werd over oorlog of vrede beslist.

Van deze gelijkheid, welke er in de volksvergadering heerschte, wordt door vele geschiedschrijvers groole ophef gemaakt. Wanneer wij hen liooren. zouden wij bijna gelooven, dat bij de oude Duitschers het ideaal van een democratischen staat, in den zuiversten zin des woords, verwezenlijkt zij geworden. Dit was echter volstrekt niet het geval, want de volksvergadering bestond niet uit het eigenlijke volk. maar alleen uit een klein getal adellijken, die met ijzeren arm hel onderdrukte volk overheerscliten.

Een machtige, dappere en vrijheidlievende adelstand voerde in Duitschland heerschappij; het volk zelf was van alle rechten en van allen eigendom verstoken en kwijnde zelfs voor een deel in eene vernederende slavernij weg.

De woningen der machtige adelingen lagen over het land verspreid; eigenlijke steden en dorpen had men niet; slechts rondom de landgoederen der aanzienlijkste edelen, allodiën genaamd, hadden de huizen hunner hoorigen zich gegroept. De allodiën waren onverdeelbaar en alleen erfelijk in de mannelijke linie: zij vertoonden dus eenige overeenkomst met de tegenwoordige majoraten bij den Duitschen adel.

De eigenaars der allodiën, hunne afstammelingen en bloedverwanten vormden met de vrije mannen de zoogenaamde volksgemeente; een gering aantal tegenover de groote menigte van het hoorige, of zelfs in slavernij zuchtende volk.

Zij noemden zich edelingen, ter onderscheiding van de laaggeboren vrijen. Wel was de adel van die dagen een machtig en kloek geslacht! In zijne iiere onafhankelijkheid onderwierp hij zich aan niemand; alleen aan de wetten, die hij zich zelf gegeven had, gehoorzamende, maakte hij aanspraak op de meest onbeperkte persoonlijke vrijheid. Van den slaat vroeg hij geene bescherming; hij was wel bij machte om voor zijne eigen belangen te waken. Toch bestond er een staat; elk tiental familiën van eigenaars van allodiën vormde eene gemeente, tien dergelijke gemeenten maakten weder een district uit; deze honderd grondeigenaars kozen een cenlgraaf, aan wie het voorzitterschap in hunne vergaderingen was opgedragen. Honderd of meer districten vormden eene gouwe, aan wier hoofd een gouwgraaf stond. Alle gemeenschappelijke aangelegenheden van het district of van de gouwe werden in de volksvergaderingen in het openbaar behandeld, gelijk hier ook recht gesproken werd. Maar alleen omtrent zaken van algemeen belang mocht in die volksvergaderingen eene beslissing worden genomen; de onafhankelijkheid en het recht der bijzondere personen werden daardoor niet in het minst verkort. De edelingen hadden zich zelf al die belangrijke volksrechten toegekend, naar wier bezit nog op den huidigen dag het Duitsche volk streeft: openbare en mondelinge behandeling der rechtszaken, het recht, dat niemand door anderen dan door zijns gelijken gevonnisd worden mocht, aanspraak op het bestuur van den staat en op het bekleeden van rechterlijke ambten, algemeene volkswapening, onschendbaarheid zoowel van den persoon als van hel huis en eerbiediging van de persoonlijke vrijheid. Maar alleen aan zich zelf had de adel deze rechten voorbehouden, het volk deelde daarin niet. Het geheele volk was verdeeld in vrijen en onvrijen. De vrijen werden onderscheiden in edelingen — de rijke grondeigenaars en hunne zonen — en vrijlingen of laaggeboren vrije mannen, afstammelingen der vrijgelaten slaven. De onvrijen waren op hunne beurt verdeeld in liten en slaven.

De liten waren lijfeigenen, maar die eene grootere mate van onafhanke-

Sluiten