Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen Marbod en de oproerige Pannoniërs deelgenomen. In dezen veldtocht had hij zich door zijne dapperheid en tegenwoordigheid van geest zoozeer onderscheiden, dat hem niet alleen het Roineinsche burgerrecht verleend, maar hij zelfs in den adelstand verheven werd. Maar al de eerbewijzen, waarmee hij in de Romeinsche legerplaats overladen werd, waren niet bij machte om hem zijn vaderland te doen vergeten. Bij dag en bij nacht, zoowel op hel zachte rustbed als te midden van het gewoel der legerplaats, hoorde hij in zijne verbeelding de majestueuze eiken der maagdelijke Duitsche wouden ruischen en die herinnering trok hem met onweerstaanbare kracht naar zijn geboortegrond heen. Hij gaf gehoor aan de stem van het heimwee en keerde naar Duitschland terug, maar hij vond in zijn vaderland niet wat hij er gezocht had, een nevel van somberheid lag over dit schoone land. Al zijne starngenooten waren onderdrukt; de fiere bezitters der allodiën, de edelen des lands, werden door de Romeinen niet veel beter behandeld, dan zij zelf vroeger hunne hoorigen en slaven behandeld hadden. En zulk eene overheersching moesten zij zelfs zonder morren verduren! Zij moesten hunnen vreemden onderdrukkers nog een lachend en vriendelijk gelaat vertoonen, al kookte het ook in hun binnenste, wilden zij zich niet aan onteerende geeselslagen, ja aan den dood door beulshanden blootstellen. Zoo schikten de edelen zich schijnbaar geduldig in hun lol. Maar wanneer de nacht de ondoordringbare wouden in eene dichte duisternis hulde, verlieten zij in alle stilte hunne woningen, dan kwamen zij in het dichtst van het woud onder den heiligen eik te zamen, waar zij voorheen de vrije volksvergaderingen en de openbare terechtzittingen hadden gehouden, doch waar zij thans slechts in het diepst geheim als samenzweerders durfden bijeenkomen. Hier, onder den gewijden boom, vereenigden zich al die vroeger zoo rijke en machtige edelingen, en onder hen ook Herman en Segestes, een aanzienlijk Cheruskisch hoofdman. Herman was weldra de ziel eener samenzwering tegen de Romeinsche heerschappij. die wijd en zijd hare vertakkingen uitbreidde; onder zijne leiding bereidden de edelingen zich ten strijde, terwijl zij zich schijnbaar in alles aan den wil des stadhouders onderwierpen en evenals te voren aan diens hof verschenen. 0111 aan zijne schitterende feestmalen deel te nemen.

Hoe geheimzinnig en voorzichtig de Germanen hunne maatregelen voor den opstand ook namen, toch zouden zij verraden worden. Herman had in Segestes' huis diens schoone dochter Thusnelda leeren kennen. Tegen den wil des vaders verwierf hij zich de liefde der beeldschoone maagd en zonder zich aan de beerschende denkbeelden en gewoonten der Germanen te storen, schaakte hij zijne geliefde. Het was een vermetel waagstuk, want zoo helden vertoornden vader gelukte, de vluchtelingen te achterhalen, dan was hij gerechtigd om zijne dochter te dooden en den schaker lot zijn slaaf te maken. Maar het geluk was den jongeling gunstig, hij werd niet achterhaald en Thusnelda werd zijne vrouw. Segestes was buiten zich zelf van woede. Bij de onsterfelijke goden zwoer hij den schuldige bloedige wraak. Had hij tot heden geweifeld, of hij zich al of niet bij de bevrijders van ziju vaderland aan zou sluiten, thans was ziju besluit bepaald. Zijne doodelijke vijandschap tegen Herman maakte hem tot verrader van zijne landgenooten. Hij spoedde zich naar Varus en deelde hem de plannen der saamgezworenen mede, doch deze hoorde den verrader met een spottenden glimlach aan. Flij kende de oorzaak van Segestes' vijandschap tegen Herman en meende, dat de grijsaard door spooksels zijner verbeelding verbijsterd werd. Hij achtte zijne macht op zulke hechte grondslagen gevestigd, dat hij eene samenzwering onder deze onderdrukte en tot slaven vernederde edelingen voor volkomen onmogelijk hield. Herman en zijn vader Segimer bleven, in weerwil van Segestes' aanklacht, geëerde gasten aan Varus' disch.

Onvermoeid arbeidde Herman in alle stille voort. Naar verschillende Duitsche stammen zond hij boden uit, om hen tot deelneming aan het groote

Sluiten