Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hield, de beste gelegenheid om deze neiging te bevredigen. Zoowel in de voor de aanzienlijken bestemde en vaak prachtig ingerichte restauraties, als in de gemeene, door slaven bezochte kroegen vond men steeds een verborgen vertrek , waar het geluid van het rollen der dobbelsteenen het oor der bezoekers trol. Hoewel het hazardspel verboden was, waren toch menschen uit alle standen er zeer op verzot en de overigens onder Augustus' regeering zeer waakzame politie zag des te eer zulke kleine overtredingen van de wet door de vingers, daar Augustus zelf een hartstochtelijk liefhebber van het dobbelspel was. In een brief aan Tiberius, ons door Suetonius bewaard, schreef hij eens: «Wij hebben het Quinquatrusfeest zeer genoegelijk gevierd, want wij hebben alle dagen gespeeld en het speelbord niet koud laten worden. Uw broeder maakte een groot leven over zijn verlies. Ten slotte echter verloor hij toch zooveel niet, maar herstelde hij zich, volgens aller berekening, langzamerhand van zijne eerste, groote verliezen. Ik voor mijn hoofd verloor 20,000 sestertiën (ongeveer /' 2000). Uit kwam echter hierdoor, dat ik, gelijk gewoonlijk, Ie mild was; want had ik alle inzetten, die ik maar loopen liet, ingevorderd, of had ik behouden wat ik wegschonk, dan zou ik zeker 50.000 sestertiën hebben gewonnen. Maar het is zoo beter, want mijne mildheid zal mij eens goddelijken roem verwerven". Daar de vorst zelf veel van de dobbelsteenen hield, daar het hem buitendien volstrekt niet onaangenaam was, dat de Romeinen speelden, — want onder het spel hadden zij geen tijd om over de staatkunde te denken — duldden de aedilen, die met het toezicht op de restauraties belast waren, stilzwijgend deze wetschennis.

De meest beruchte speelholen waren de popinae, de gemeene gaarkeukens, de gewone vergaderplaatsen van slaven en allerlei gespuis, doch ook van aanzienlijke losbollen, die met omhuld gelaat, opdat niemand hen herkennen zou, daarbinnen slopen. Hier werden dikwijks onnoemlijke sommen gewonnen en verloren.

Naast het dobbelspel maakten ook andere gezelschapsspelen geliefkoosde uitspanningen der Romeinen uit; vooral het balspel was bij arm en rijk in zwang. De rijken hadden bij hunne villa's voor het balspel ingerichte zalen; de armen vermaakten zich daarmede op het veld van Mars, ja zelfs op de straten der stad. Ook de hoogten en tuinen der druk bezochte baden waren geliefkoosde plaatsen voor dit spel.

De openbare baden kunnen wij insgelijks onder de Roineinsche uitspanningsplaatsen tellen, want hier was voor een overvloed van de meest verschillende vermaken gezorgd. Agrippa had zich als aedil bij liet volk bemind welen te maken door eene prachtige inrichting van de baden; hier vonden de Romeinen zooveel afwisseling van uitspanningen, dat ledigloopers dikwijls het grootste gedeelte van hun tijd in de badhuizen verbeuzelden. Zoowel in de zuilengangen en parken als in de voor gezellig onderhoud bestemde zalen trof men altijd een talrijk gezelschap aan; hier was het vereenigingspunt van allen, die een uuitje wilden keuvelen; menigmaal ontmoette men hier ook dichters, die hunne werken voorlazen, om zich bekend te maken.

De eigenlijke baden waren met de meest verfijnde weelde ingericht. Goed te baden was eene bijzondere kunst. De verwijfde Romeinsehe losbollen verstonden zich meesterlijk er op om door stelselmatige afwisseling van warme, koude en lauwe baden, door afwrijvingen en andere kunstbewerkingen van hun lichaam, aan hunne verslapte spieren nieuwe levenskracht bij te zetten.

Sinds de Romeinen zich niet langer om de staatkunde bekommerden, was de zorg voor hun lichaam, de toeleg om zich de hoogste genietingen te verschaffen, het eenig doel van hun streven geworden. Boven alles zochten zij hunne woningen zoo geriefelijk en behagelijk te maken als maar mogelijk was. Het spreekt echter van zelf, dat alleen de tijken, die in eigen huizen woonden, hiertoe in staat waren, terwijl de minder gegoeden zich met huurhuizen behelpen, tot de zoogenaamde »insulae" (eigenlijk: eilanden; blokken

Sluiten