Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Even spoedig als het gevaar ontstaan was, ging het ook voorbij. In de eerste plaats werd Julius Sabinus overwonnen, en wel dooreen Gallischen volksstam, die aan Rome trouw gebleven was. Kort daarna waren de Galliërs tot onderwerping gebracht en dus de Batavieren van hulp van die zijde verstoken. Tegen hen werd een bekwaam veldheer Petillius Cerealis met 4 legioenen afgezonden. Deze behaalde meer dan ééne overwinning en bracht eindelijk in een grooten slag aan Claudius Civilis zulk eene nederlaag toe, dat de Batavier, ten einde zijn volk aan de geduchte wraak der Romeinen te onttrekken, besloot in onderwerping te komen. Het gelukte hem, gunstige voorwaarden te bedingen: de Batavieren bleven de vrienden en bondgenooten der Romeinen en als zoodanig van alle schatting vrijgesteld. Zoo was reeds in het jaar 70 n. Clir. het groole gevaar, waarmede het Romeinsche rijk bedreigd werd, gelukkig afgewend.

Even gelukkig als in Gallië en Germanië waren de Romeinsche wapenen in Brittannië. Tot dusver was de heerschappij der Romeinen op het Britsche eiland zeer onzeker geweest. Tot aan den tijd van keizer Claudius toe hadden de Romeinen er nauwelijks aan gedacht, Brittannië werkelijk bij het Romeinsche rijk in te lijven. Caligula had eene belachelijke en jammerlijk mislukte poging tot verovering gewaagd, en eerst Claudius voerde het plan van zijn voorganger uit.

Den veldheer Aulus Plautius gelukte het, liet zuidelijke deel van Brittannië te onderwerpen. Keizer Claudius kwam hem in persoon ter hulp en ontving, gelijk onze lezers zich herinneren, daarom van den kruipenden senaat den eernaam Brittannicus. Na Aulus Plautius voerde een groot aantal veldheeren in Brittannië bevel, van welke Suetonius Paullinus de beroemdste was, daar hij een geduchten opstand, die onder de oorspronkelijke bewoners van bet eiland was uitgebroken, onderdrukte. De Romeinsche stadhouders hadden de inboorlingen op de wreedste wijze behandeld en daardoor eene groote verbittering tegen de overheerschers in het hart der onderdrukten doen ontstaan. Van alle Britsche volksstammen voelden de Iceners, die in het tegenwoordige Sufïolk en Norfolk woonden, zich het diepst beleedigd, daar hunne koningin Boadicea, de weduwe van hun overleden vorst, van de trotsche Romeinen zelfs lichamelijke mishandelingen had ondergaan, en wijl de aanzienlijkste Iceners door de Romeinsche landvoogden van hunne bezittingen berooid waren.

Boadicea, door gloeiende wraakzucht gedreven, stelde zich aan het hoofd van haar volk; naar men verhaalt, grepen niet minder dan 100,000 soldaten naar de wapenen en wierpen zich op de Romeinsche kolonie, welke zij veroverden en te vuur en te zwaard verwoestten. Slechts met groote moeite redde Cerealis, de latere overwinnaar van Claudius Civilis, zijne legioenen van een geheelen ondergang.

Suetonius Paullinus, de opperbevelhebber, was toen juist bezig ook het eiland Mona (Anglesea) aan de Romeinsche heerschappij te onderwerpen. Hier echter vond hij een allerheftigsten tegenstand, want Mona was de zetel der meest gevierde Keltische heiligdommen, der voornaamste tempels, der druïdenwoningen en scholen. Het bericht van den opstand der Iceners stoorde hem in zijne veroveringsplannen. Hij moest zijne wapenen tegen de door de krijgshaftige Boadicea aangevoerde opstandelingen keeren. In den beginne werd hij teiuggeslagen, doch eindelijk bracht bij der koningin zulk eene beslissende nederlaag toe, dat zij in wanhoop de banden aan zich zelf sloeg.

Paullinus strafte de opstandelingen met onbarmhartige gestrengheid. Hij liet hunne druïden dooden, hunne heilige bosschen omhouwen en uitroeien, de altaren en tempels met den grond gelijk maken. De gevangenen werden deels als slaven verkocht, deels ter dood gebracht en de oproerige steden te vuur en te zwaard verwoest.

In weerwil van deze gestrengheid was de Romeinsche heerschappij in

Sluiten