Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terugkeerenden dag, maar van het naderen der vlammen werd beschouwd, docli het bleef in de verle. De duisternis kwam terug en met haar een zoo sterke en dichte aschregen, dat wij dikwijls moesten opstaan, om de asch af te schudden, ten einde niet daaronder bedolven en door dien last verpletterd te worden. Ik zou mij niet kunnen beroemen, dat mij in dal dreigend gevaar niet nu en dan een zucht, een onmannelijke klacht ontsnapt zou zijn, indien ik niet in de gedachte, dat ik met de wereld en de wereld met mij onderging, een wel droevigen jTiaar toch grooten troost voor het sterven gevonden had. Eindelijk loste de dikke duisternis zich in eene soort van damp of nevel op. Het werd werkelijk dag, zelfs de zon kwam te voorschijn, maar bleek en mat was baar schijnsel evenals bij eene zonsverduistering. Alle voorwerpen deden zich aan onze onzekere blikken als veranderd voor en met asch als met eene dikke sneeuwlaag bedekt. Wij keerden naar Misennm terug."

Het verhaal van Plinius levert ons een aanschouwelijk beeld op van dien vreeselijken nacht, waarin drie schoone steden zijn verwoest. Zij werden zoo diep deels in den grond, deels onder de asch begraven, dat zeventien eeuwen lang zelfs de plek, waar zij gestaan hadden, niet met zekerheid bekend was. Eerst in de vorige eeuw heeft men die bedolven steden weer ontdekt en een begin gemaakt met de opdelving, die in Pompeji bovenal de schitterendste uitkomsten heeft opgeleverd, dewijl hier alleen asch weg te ruimen viel. Een aanzienlijk deel der oude stad Pompeji ligt tegenwoordig weder bloot. Wij wandelen door de straten, wij treden de huizen binnen, waarin het huisraad der oude bewoners gedeeltelijk nog geheel ongeschonden aangetrolïen wordt. Deze opdelvingen hebben voor de geschiedenis kostbare schatten aan het licht gebracht; wij bezitten ten gevolge daarvan liet duidelijkste beeld van de woningen, de uilspanningsplaatsen, het huiselijk leven en de gewoonten der oude Romeinen, een veel aanschouwelijker beeld dan het beste geschiedkundig werk leveren kan.

Den len September van het jaar 81 stierf Titus, betzij ten gevolge eener ziekte, hetzij vergiftigd door zijn eigen jongeren broeder Titus Flavius Domitianus, die hem in den leeftijd van 30 jaren in de regeering opvolgde, om 15 jaren achtereen, van 81 tot 9(5 na Chr., als een waardig opvolger van Nero over het Romeinsche volk te heerschen.

Domitianus had zich reeds in den korten tijd die van den dood van Vitellius tot de aankomst van Yespasianus verloopen was, gedurende welken hij met Mucianus de teugels van het bewind voerde, door zijne wreedheid en willekeur zoo gehaat gemaakt, dat zijn vader, hierover len hoogste verontwaardigd, hem van alle staatszaken verwijderd had. Na Yespasianus' dood had Domitianus aanspraak gemaakt op deelneming aan de regeering en beweerd, dat het testament zijns vaders hem hiertoe het recht verleende. Doch dit was zonder eenig gevolg gebleven en hierom sloeg het volk dan ook des te eerder geloof aan het gerucht, dat de geliefde keizer Titus door zijn broeder vergiftigd was. De nieuwe keizer werd dan ook met baat en wantrouwen ontvangen. Toch scheen liet bijna, dat hij evenals Titus door eene roemrijke regeering de misdaden zijner jeugd in vergetelheid wilde brengen. Want gedurende de eerste jaren was Domitianus er op uil, bet voorbeeld van zijn broeder te volgen.

Hij was edelmoedig, mild en rechtvaardig, bij drong bij de beambten op eene slipte plichtsvervulling aan, zoodat de geschiedschrijver Suetonius verhaalt, dat de beambten nooit rechtvaardiger en minder omkoopbaar geweest zijn dan toen. Tegenover de lagere volksklasse was hij voorkomend en weldadig, bij duldde niet, dat zij door de aanzienlijken onderdrukt werd. Hierom werd bij door de senatoren wel gehaat, doch door het volk des te meer geliefd. Om zoowel bij het volk als bij het leger steun te vinden, verschafte luj aan het eerste kostbare vermakelijkheden en verhoogde hij de soldij deikrijgslieden.

Sluiten