Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen enkel tijdperk door bijzonderen aanleg voor eenige knnst onderscheiden, alleen in de bouwkunst hebben zij blijken gegeven van groot talent. Wanneer Rome in weerwil hiervan eene stad geworden is, die in de geschiedenis der kunst eene belangrijke plaats inneemt, dan hebben wij de oorzaak van dat verschijnsel daarin te zoeken, dat de kunstenaars der geheele wereld derwaarts samenvloeiden en er hunne werken ten behoeve der aanzienlijken vervaardigden, die, de heerschende mode volgende, zich een naam trachtten te maken als beschermers van kunst en wetenschap en zonder aarzelen onnoemlijke sommen besteedden oin hunne landhuizen en tuinen met kunstgewrochten op te sieren. Uit alle veroverde landen werden buitendien de kunstschatten naar Rome te zamen gebracht; hier vonden dus de jongere kunstenaars de heerlijkste en navolgenswaardigste modellen voor hunne eigen scheppingen; daar hun werk goed betaald werd, arbeidden zij met grooten ijver en meer dan één kunstwerk van blijvende waarde is in den keizertijd vervaardigd. Over het geheel echter missen de kunstgewrochten van dat tijdperk, gelijk wij reeds zeiden, de hoogere wijding van het genie, zij droegen meestal den stempel van hun oorsprong. De wensch der kunstenaars om geld, veel geld te verdienen kon niet zonder invloed op hun werk blijven. Eene nauwkeurige, dikwijls zeer verdienstelijke uitvoering, vereenigd met gebrek aan diep gevoel, onderscheidde de meeste kunstwerken van dien tijd.

Hetzelfde verschijnsel doet zich ook in de letterkunde aan ons voor. De zilveren eeuw — zoo wordt het tijdperk van Augustus tot Hadrianus genoemd — heeft aan Rome niet één waarlijk groot dichter, maar een aantal zeer bekwame schrijvers en een uitstekend geschiedschrijver geschonken. Bovenal onderscheidde zij zich door de groolere zuiverheid van taal, waarvan de meeste letterkundige werken blijk dragen, maar van den fleren en krachtigen geest der oude Romeinen treilen wij daarin slechts hier en daar enkele sporen aan. Het gebrek aan grondigheid van behandeling en frischlieid van verbeeldingskracht, de armoede aan denkbeelden moesten door den schoonen vorm en het wegsleepend woord bemanteld worden.

Van de epische dichters verdient alleen Annaeus Lucanus vermelding, en dat veel minder om zijn talent, dan wel omdat hij zich in dien bedorven tijd nog door vurige vaderlandsliefde en dooreen echt-republikeinschen geest onderscheidde. "Ü werd op den jeugdigen leeltijd van ruim 29 jaren op Nero's bevel ter dood gebracht.

Yan meer beteekenis dan de epische dichters zijn in de zilveren eeuw de satyrici, wier werken voor de kennis der geschiedenis van het hoogste gewicht zijn, daar zij ons zeer levendige schilderingen van de leefwijze van hun tijd geschonken hebben; nu eens schetsen zij die zeden met eene cynische onbeschaamdheid, dan weer weten zij hunne gedachten in zeer geestige en gekuischte vormen te hullen. Met zichtbaar welgevallen staan eenigen dier dichters stil hij tooneelen, die tegenwoordig zelfs in een zuiver wetenschappelijk werk niet geschetst kunnen worden, zonder het zedelijk gevoel der lezers te kwetsen. Anderen daarentegen geeselen de verdorvenheid van hunne dagen met bittere ironie.

Tot de laatsten behoorden Persius Flaccus (van 34 tot 62) en Decimus Junius Juvenalis, die ten tijde van Claudius geboren en onder de regeering van Hadrianus naar Egypte verbannen werd, waar hij ook gestorven is. De 16 satyren van Juvenalis zijn kostbare tafereelen van de zeden van zijn tijd. Diep verontwaardigd over de ontaarding des volks, schildert hij zijne tijdgenooten in al hunne nietswaardigheid met onverbiddelijke gestrengheid. Anders was het met Petronius Arbiter, die waarschijnlijk een deelgenoot van Nero's uitspattingen was en ons in zijn satiricon eene soort van roman heefl nagelaten, die voor de kennis van het zedelijk leven der Romeinen des te belangrijker is, naarmate de vervaardiger meermalen eigen ondervinding en ontmoetingen mededeelt. Zijne taal is zuiver, gekuiseht, geestig en al stelt hij de

Sluiten