Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schels \an Grieksche kunstgewrochten en eene mededeeling van de daarmee verbonden geschiedkundige overleveringen nagelaten heeft. Ten slotte noemen wij nog twee geleerde Joden, Philo, die zich in het begin van den keizertijd door wijsgeerig theologische werken beroemd maakte, en Josephus, den geschiedschrijver, die zich door zijne geschiedkundige werken groole verdiensten verworven heeft, ofschoon hij der waarheid niet altijd onkreukbaar trouw is gebleven.

EEN EX TACHTIGSTE HOOFDSTUK.

Aangloeiende macht der legioenen. Commodus. Zijne opvoediug. Zijn karakter. Vrede met de Marcomannen. Poging tot sluipmoord Lucilla. Commodus' wreede maatregelen tegen den senaat. Perennis. Cleander. Commodus' schrikbewind. Volksopstand. Oleander ter dood gebracht. De Romeinsche Hercules. De keizer als gladiator. Zijn dood. Helvius Pertinax. De keizerlijke waardigheid aan den meestbiedende verkocht. Didius Julianus. Opstand der legioenen. Septimius Severus. Pescennius Niger. Clodins Albinus. Didius Julianus ter dood gebracht. Kegeering van Septimius Severus. Verdediging van Byzantium. Zegepraal op Pescennius Niger en Clodius Albinus behaald. Militair despotisme. Dood van Severus. Bassianus Caracalla en Geta. De strijd der twee gebroeders. Julia Domna Broedermoord. Alleenheerschappij van Caracalla. Dood van Papinianus. Opilius Macrinus. Caracalla vermoord.

Met den dood van den voortreilijken Marcus Aurelius namen voor hel Romeinsche rijk de korte, maar gelukkige dagen van een rechtvaardig en ordelijk bestuur weer een einde. Hel militair despotisme bereikte weldra den hoogslen trap. De barbaarsche volken aan de grenzen des rijks, die met elk jaar machtiger werden, herhaalden hunne invallen in de Romeinsche provin ciën met telkens gunstiger gevolg en konden alleen door de versterking van het staande leger in toom worden gehouden. Doch hoe meer de geestkraclil van het eigenlijke volk verlamd werd, des te meer won het leger aan macht en invloed. Hel door eene weelderige leefwijze verwijfde Romeinsche volk liel den strijd legen de barbaren gaarne aan de dappere legioenen over, die uil de halfwilde inwoners der provinciën, uit Illyriërs en Thraciërs, zelfs uil Germaansche huurlingen bestonden, en zich ten gevolge van dit alles als de eigenlijke heeren en meesters des rijks beschouwden. De legioenen, die aan de grenzen in vaste legerplaatsen lagen, vormden ieder op zich zeifin zekeren zin een militairen slaat. Hun bevelhebber was hun koning. De keizer kon ben ajleen eenigermate in toom houden, door hen zoo dikwijls als sleclils mogelijk was zoowel van aanvoerders als van legerplaals Ie doen verwisselen. Doch ook op deze wijze kon bij slechts voor een korten lijd den oproerigen geest der soldalen beteugelen. Het leger was hel eigenlijke middelpunt der staatsmacht; het leger moest in eene goede luim worden gehouden, wanneer de keizer veilig op zijn troon wilde zitten. Daarom werd de soldij dan ook voortdurend verhoogd; bij alle mogelijke gelegenheden ontvingen de soldaten kostbare geschenken. Onnoemlijke sommen moesten jaarlijks uitgegeven en drukkende belastingen aan het geheele rijk opgelegd worden, om de eischen der legioenen Ie bevredigen, die in weerwil hiervan vaak zoo straffeloos roofden en plunderden, als bevonden zij zich te midden van een vijandelijk land.

Reeds mei den zoon en opvolger van Marcus Aurelius, met Commodus 180 1!)2 n. Clir.), nu?int dit treurig tijdperk van militair despotisme een

44*

Sluiten