Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den ongelukkige neder en droegen zijn hoofd op een piek in zegepraal dooi de straten der stad.

Na den dood van Pertinax stonden de praetorianen in twijfel, wien zij de keizerlijke waardigheid zouden opdragen; zij wilden van hunne keus voor zich zelf het meest mogelijke voordeel trekken; daarom besloten zij, den keizerstroon aan den meestbiedende te verkoopen en. hoe ongeloofelijk dit ook moge klinken, zij deden het ook.

De rijke senator Didius Julianus kocht het rijksbewind voor 200 millioen sestertiën (ongeveer 20 millioen gulden). Elke praetoriaan ontving van die som voor zijn aandeel ongeveer /' 130, en Didius Julianus werd als keizer uitgeroepen.

De senaat kwam bijeen. Didius Julianus verscheen in de vergadering, nadat hij de plaats der bijeenkomst met gewapenden omsingeld had, om de senatoren reeds vooraf van elke poging tot tegenstand af te schrikken. Hij hield eene rede, waarin hij zijne eigen bekwaamheden hoogelijk roemde en de gehoorzame senatoren huldigden hem bereidvaardig als keizer; zij beloofden hem trouw en prezen Rome gelukkig, zulk een gebieder te bezitten.

Uit den senaat werd Julianus door de praetorianen naar het paleis gevoerd, opdat hij daarvan bezit zou nemen. Het eerste voorwerp, dat hem hier in het oog viel, was de verminkte romp van Pertinax. Zonder zich om het bloedige lijk te bekommeren, liet Julianus een weelderig gastmaal aanrichten en tot diep in den nacht vermaakte hij zich met het dobbelspel en bleef hij naar de kunstverrichtingen van een beroemd danser kijken. Dit was het begin der regeering van den nieuwen keizer.

De schandelijke veiling der keizerskroon verwekte ie Rome zelf en in alle deelen des rijks de diepste verontwaardiging.

De bevolking van Rome gaf openlijk aan hare verachting voor Didius Julianus lucht, doch daar deze onder de bescherming der praetorianen stond, durfde zij geen opstand maken. Zij boog, zij het dan ook onwillig, het hoofd. Niet alzoo de legioenen in de provinciën. Wat de praetorianen hadden kunnen doen. konden zij ook. zij hadden immers evenveel recht om een keizer aan te stellen als de lijfwacht.

De Germaansche legioenen verhieven bun veldheer Septimius Severus, een geboren Afrikaan, de Syrische legioenen den stadhouder Pescennius Niger tot keizer. De legioenen in Rrittannië weigerden insgelijks Didius Julianus te erkennen en hoewel ook de stadhouder van Rrittannië, Clodius Albinus. de afstammeling van een trotsch Romeinsch geslacht, voor het oogenblik ertegen opzag den keizerlijken titel aan te nemen, toch weigerde hij in naam des volks de erkenning van een keizer, die geene andere verdiensten bezat dan zijn rijkdom. Clodius Albinus streefde evengoed als de beide andere veldheeren naar de alleenheerschappij, ofschoon hij zijnen soldaten verklaarde, dat het zijn plan was. volk en senaat in het bezit der oude republikeinsche voorrechten te herstellen. Van de drie mededingers naar den troon was Severus de invloedrijkste en werkzaamste. Aan het hoofd zijner legioenen trok hij naar Dalië en tegen Rome op. Nergens vond hij krachtigen tegenstand. De nietswaardige Didius Julianus was volslagen radeloos. Tevergeefs poogde hij zijne zoo duur gekochte waardigheid door onderhandelingen met Severus te redden; de laatsle rukte onophoudelijk voorwaarts. Het kwam niet eens tot een strijd om de opperheerschappij. Severus zond boden naar de hoofdstad, die in zijn naam den praetorianen vergitlenis toezeiden, mits deze de zijde van den nietswaardigen keizer verlieten en de moordenaars van Pertinax uitleverden.

De praetorianen gevoelden zich tegen de krijgsmacht van Severus niet opgewassen; zij namen de gestelde voorwaarden aan, leverden de moordenaars van Pertinax uit, die terstond ter dood gebracht werden, en deelden den senaat mede, dat zij Didius Julianus niet langer wilden verdedigen.

Sluiten