Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan hel leger, dat den voornaamsten steun van zijn troon uitmaakte, verleende hij alle mogelijke voorrechten. Hij verhoogde niet alleen de soldij, maar liet zelfs het verslappen van de krijgstucht toe. De praetoriaansche lijfwacht had hij terstond na zijne troonsbestijging ontbonden. Wel had hij zijne belofte, dat hij hun den moord van Pertinax vergeven zou, in zoover gehouden, dat zij niet gestraft werden, maar hij had hen toch met schande uit Rome verdreven. Toch achtte Severus zich zonder lijfwacht niet veilig, derhalve vormde hij eene nieuwe bende praetorianen, die nog talrijker dan de vroegere en uit de beste soldaten van alle legioenen samengesteld was.

Bij het vormen van deze lijfwacht werd op de nationaliteit geen acht geslagen. Terwijl vroeger alleen Italianen in de keurbende waren opgenomen, trof men daarin nu bij voorkeur Illyriërs, Thraciërs, Galliërs en zelfs Germanen aan.

Het militair despotisme kan alleen in stand blijven, wanneer de vorst het leger bezig houdt; dit begreep Severus. Hij voerde oorlog legen de Arabieren, de Parthen en de Caledoniërs in het tegenwoordige Schotland. De beide eerstgenoemde volken werden door hem overwonnen; de laatste oorlog daarentegen kostte hem zware olïers en leverde hem geen noemenswaardig voordeel op.

Het binnenlandsch bestuur kenmerkte zich onder Severus' regeering door strenge orde. De keizer eischte van zijne beambten eene stipte plichtsvervulling; hij verbeterde opnieuw de rechtspleging. De drie uitstekendste rechtsgeleerden van zijn tijd, Papinianus, Ulpianus en Paulus, stonden bij hem in zoo hooge gunst, dat hij den eerste zelfs tot praetor der lijfwacht benoemde.

Severus had bijna 18 jaren geregeerd, toen hij gedurende zijn verblijf in Drittannië den 4en Februari 211 te Eboracum (York) stierf. Hij liet twee zonen na, Bassianus, die door het volk naar eene door hem te Rome ingevoerde Gallische kleeding, den bijnaam Caracalla ontvangen had, en Geta. Beiden had hij in den laatsten tijd zijner regeering reeds tot mederegenten aangenomen en hun den titel augustus en den eernaam Antoninus verleend; beiden werden dan ook door senaat, leger en volk terstond na huns vaders dood als keizers erkend.

De beide broeders hadden elkaar van hunne kindsheid af een doodelijken haat toegedragen. Reeds meer dan eens had de oudste, Caracalla, pogingen aangewend om zich van zijn tegenstander door sluipmoord te ontslaan, doch tot dusver waren al die pogingen mislukt en hadden zij geene andere uitwerking gehad, dan dat hun haal nog bitterder en onverzoenlijker was geworden. En thans moesten zij gemeenschappelijk het Romeinsche rijk regeeren. Dit scheen eene volslagen onmogelijkheid. Daarom beproefde hunne moeder, de weduwe van Septimius Severus, de schoone en talentvolle Julia Domna, hen met elkaar te verzoenen. Langen tijd bleven al hare pogingen vruchteloos, totdat eindelijk tot hare groote blijdschap Caracalla zich naar hare wenschen scheen te voegen. Hij verklaarde zich bereid om in de vertrekken der keizerin-weduwe met Geta vrede te sluiten.

Innig verheugd over de zegepraal, door hare overredingskracht behaald, ontbood Julia Domna haar zoon Geta; zonder het Ie weten, had zij in dal opontbod zijn doodvonnis uitgesproken, wanl terwijl de beide broeders samen spraken, wierpen eenige centurions, die zich verborgen hadden gehouden, zich eensklaps met ontbloote zwaarden op den ongelukkigen Geta. De wanhopige moeder poogde haar zoon met beur eigen lichaam te beschermen; een oogenblik deinsden de moordenaars terug, doch Caracalla's bevel deed hen allen schroom overwinnen. In de afschuwelijke worsteling, die nu volgde, werd Julia Domna zelf aan de hand gewond. Het harlebloed van den stervenden Geta vermengde zich met het bloed zijner moeder.

Nauwelijks was Geta uit den weg geruimd, of Caracalla begon op

Sluiten