Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»De mythische offers werden gedurende drie nachten aan de oevers van den Tiber gebracht en hel veld van Mars, dat weergalmde van muziek en dansen, was met eene ontelbare menigte lampen en fakkels verlicht. Slaven en vreemdelingen waren van alle deelneming aan dit echt nationale feest uitgesloten. Een koor van 27 jongelingen en evenveel jonkvrouwen van adellijke afkomst, wier beide ouders nog leefden, boden den genadigen goden een danklied aan uit naam van hel tegenwoordig en van het aankomend geslacht en smeekten in plechtige hymnen, dat zij overeenkomstig de belofte van het oude orakel de deugd, het geluk en de heerschappij van het Romeinsche volk mochten beschermen. De pracht der schouwspelen en volksvermaken, door Philippus aangericht, verblindden de oogen der menigte. De vromen waren geheel verdiept in het inachtnemen van hijgeloovige plechtigheden, terwijl enkele denkers het verleden en de toekomst van het rijk overpeinsden.

Sinds den dag, waarop Romulus zich met eenige herders en ballingen op de heuvelen in de nabijheid van den Tiber verschanst had, waren er tien eeuwen verloopen. Gedurende de eerste vierhonderd jaren hadden de Romeinen zich in de vaak pijnlijke school der ontbering de deugden van den krijg en der regeering eigen gemaakt; door de trouwe betrachting van die deugden hadden zij, onder begunstiging der fortuin, zich gedurende de volgende drie eeuwen de onbeperkte heerschappij over zoo vele landen van Europa, Azië en Afrika verworven. De laatste drie eeuwen daarentegen hadden bij uiterlijken voorspoed inwendig verval aangebracht.

De natie van helden, staatslieden en weigevers, die vroeger aan het hoofd van het Romeinsche rijk gestaan had, was langzamerhand in het geheele menschelijke geslacht opgelost en vermengd met millioenen van die slaafsche inwoners der wingewesten, die den naam van Romein ontvangen hadden, zonder den Romeinschen geest in zich op te nemen. Een leger van huurlingen, onder de aan de grenzen wonende onderdanen, ja, zelfs onder de barbaren aangeworven, was de eenige stand van menschen, die zijne onafhankelijkheid handhaafde en misbruikte. Door hun dikwijls met geweld doorgedreven luim werd nu een Syriër, dan een Goth, een ander maal een Arabier op den troon verheven en met eene onbeperkte macht over het vaderland der Scipio's met zijne wingewesten bekleed.

De grenzen van het Romeinsche rijk reikten nog altijd van den westelijken Oceaan tot aan den Tigris en van het Atlasgebergte lot aan den Rijn en den Donau. In liet oog der kortzichtige menigte was Philippus een niet minder machtig monarch dan eens Augustus en Hadrianus geweest waren. Naar het uitwendige was het Romeinsche rijk nog even machtig als vroeger, maar het geleek een lichaam, waaruit de geest reeds bijna geweken was. De geestkracht des volks was door jaren van onderdrukking verlamd, ja bijna uitgeput. De krijgslust der legioenen, welke, bij gemis van elke andere deugd, de eenige steun van den staat zou geweest zijn, was ten gevolge van de eerzucht of de zwakheid der keizers geheel verslapt. De veiligheid der grenzen, welke altijd meer door den moed der legioenen, dan door verdedigingswerken beschermd waren, liet zeer veel Ie wenschen over. De schoonste provinciën waren onophoudelijk blootgesteld aan de invallen van roofgierige of heerschzuchtige barbaren, die het verval van het Romeinsche rijk maar al te spoedig opmerkten" (*).

(*) Gibbon, geschiedenis van het verval en den ondergang van het Komeiusche rijk.

Sluiten