Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gorden, nam dezelfde verwijfde kleederdracht aan, waarmede vroeger een Heliogabalus zich getooid had.

Hij wordt ons afgeschilderd met valsch haar van verschillende kleur, dat door de bekwaamste haarbouwkunstenaars was opgemaakt, met een diadeem van veel kostbaarder stof dan die van Diocletianus, met een mantel, welke met edelgesteenten en paarlen versierd en met gouden bloemen doorweven was, en die met zijne bonte kleuren zeer slecht paste voor den reeds bedaagden man; armbanden en halssieraden voltooiden den verwijfden dos.

Het keizerlijk hof moest voortaan het middelpunt van den wereldstaat uitmaken; voor eiken onderdaan moest het de hoogste eer zijn, zijn keizerin persoon te mogen dienen. Met dit doel omringde Constantijn zich met een talrijken hofstoet en riep hij eene menigte hofbeambten in het leven; door vele vorsten van tateren tijd is hij hierin nagevolgd. Zeven staatsdienaars, die te gelijk de hoogste bedieningen aan bet hof bekleedden, omringden hem. Ook was er een opzichter over het heilige keizerlijke vertrek, een opperkamerheer met eene schaar van ondergeschikte beambten, een opziener over de hofbedienden, een kabinetsraad, een bestuurder van des keizers bijzonder vermogen, enz.

Om de eerzucht zijner dienaars te prikkelen werden voor al de hooge hof- en staatsbeambten bijzonder pralende titels en onderscheidingen uitgedacht. Zij werden aangesproken met weidschklinkende namen, als: Illustres (doorluchtigen), Spectabiles (hoogaanzienlijken), Clarissimi (wijdvermaarden). Perfectissimi (allervolmaaksten). De prinsen van den bloede, of zij die met hen in rang gelijk stonden, werden Nobilissimi (alleredelsten) genoemd. Ook het ambt van consul en de rang van patriciër werden door den keizer hersteld. Jaarlijks benoemde hij consuls, die echter niet de geringste macht, maar slechts een bloolen titel bezaten. Ook de patriciërs waren niet langer de afstammelingen der Oudromeinsche geslachten; het patriciaat was eene dooiden keizer verleende waardigheid.

Ook een nieuwe erfelijke adel ontstond er. die groote voorrechten, bijv. vrijdom van belasting bezat en door den keizer hoofdzakelijk aan hofbeambten geschonken werd.

Constantijn koos voor zijne schitterende hofhouding eene nieuwe en prachtige residentie. In het oude Rome waren nog zooveel herinneringen van de republiek overgebleven; daar hield, al was het dan ook slechts in naam, de senaat zijne zittingen. De tallooze afgodstempels waren geheel in tegenspraak met het Christendom, waarop Constantijn zijne macht grondde. Rome was derhalve niet geschikt lot verblijfplaats van den keizer, daarenboven lag de oude hoofdstad niet in het midden des rijks.

Reeds de laatste keizers hadden daarom slechts tijdelijk te Rome geresideerd. Constantijn besloot eene nieuwe keizerstad te stichten en koos daartoe de stad Ryzantium.

De Christengeschiedschrijvers, zoo lichtgeloovig op het punt van wonderen, verhalen dat bun held tol de stichting van de nieuwe hoofdstad genoopt is door een goddelijk gebod, terwijl niets dan staatkundige berekening en ijdellieid hem hiertoe aandreven.

Zij verhalen hieromtrent het volgende: »Toen Constantijn eens binnen de muren van Byzantium overnachtte, verscheen hem de beschermgeest der stad, eene eerwaardige matrone, schier bezwijkend onder den last der jaren en de gebreken van den ouderdom. Maar eensklaps veranderde zij in eene bloeiende maagd, die hem eigenhandig met de zinnebeelden der keizerlijke waardigheid tooide. Toen Constantijn ontwaakte zag hij in deze verschijning eene openbaring van den wil Cods, en bij gehoorzaamde zonder dralen."

De vestiging der nieuwe stad ging gepaard met ceremoniën, die de oude gebruiken der heidenen in het geheugen riepen. De keizer, met eene lans in de hand, voerde te voet een plechtigen optocht aan; hij zelf wees de lijn aan, die voortaan de grens zijner hoofdstad zou uitmaken. Met verbazing zagen

Sluiten