Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evenals Diocletianus verdeelde Constantijn hel Romeinsche rijk in vier groote deelen, welke liij praefecluren noemde; deze verdeeling was daardoor van de vroegere onderscheiden, dat aan het hoofd van ieder deel niet een zelfstandig vorst stond, maar dat het bestuurd werd door een stadhouder, die den naam van praetorisch praefect droeg. Deze vier praefecturen waren: het oosten, hetwelk Azië, Egypte en Tliracië omvatte; Illyrië met Griekenland, Macedonië en Moesië; Italië met de landen ten zuiden van den Donau en westelijk Afrika; Gallië met Brittannië en Spanje. De praefecturen waren weder verdeeld in 13 diocesen, en deze wederom gezamenlijk in 116 provinciën.

Rome stond onder een afzonderlijken stadspraefect; later was dit ook het geval met Constantinopel.

De stadhouders, de reeds genoemde praetorische praefecten, waren niet, gelijk weleer, aanvoerders in den oorlog, maar slechts met burgerlijk gezag bekleed. Hunne macht was echter binnen die grenzen geheel onbeperkt, het toezicht op het beheer der geldmiddelen en op de politie was hun opgedragen; ook de uitoefening van het recht was hun toevertrouwd en van hunne "uitspraken kon men niet in hooger beroep komen, zelfs niel bij den keizer. Een geheele stoet van mindere ambtenaren stond onder hunne bevelen.

Het leger werd aangevoerd door twee onderbevelhebbers, wien de titel comités (graven) en duces (hertogen) was verleend; het was verdeeld in garnizoens- en grenstroepen; de laatsten, die voortdurend tegenover den vijand stonden, hadden den voorrang boven de eersten. Door deze nieuwe staatsregeling was het geheele bestuur van het rijk als het ware in een reusachtig werktuig herschapen. De gang der zaken was belemmerd; een zwerm ambtenaren was werkzaam in de kanselarijen en daar de praetorische praefecten de hoogste rechterlijke macht uitoefenden, zonder dat men zich van hunne besluiten op den keizer kon beroepen, waren zij in de gelegenheid om het volk op allerlei wijze te onderdrukken en uit te zuigen.

De inrichting van het financiewezen, door Constantijn op eene nieuwe leest geschoeid, was iu volkomen overeenstemming met het geheele staatsbestuur. Drie nieuwe belastingen, namelijk: eene grondbelasting, eene bedrijfbelasting en eene hoofdelijke belasting, werden ingevoerd.

Om de vijftien jaar werd door de gezamenlijke beambten der belasting opnieuw schatting gehouden van de bezittingen der belastingschuldigen. Gedurende gemeld tijdvak waren dezen verplicht om de som te betalen voor welke zij waren aangeslagen, onverschillig of in dien tusschentijd de waarde van hunne bezittingen verminderd was, of zij door oorlog waren verwoest, of de oogst des landbouwers wegens misgewas niets opleverde.

Met de meeste gestrengheid werden de belastingen geïnd, en de schatting had zoo nauwkeurig plaats, dat geen enkel voorwerp, hetwelk de belastingschuldigen bezaten, aan het waakzame oog der ambtenaren ontging. Op ieder, die het durfde wagen de belasting te ontduiken, werd eene strenge straf toegepast.

De bedrijfbelasting werd om de vier jaar opnieuw geregeld en met de meest mogelijke strengheid ingevorderd. De hoofdelijke belasting werd van de slaven en boeren geheven en moest door de heeren en grondeigenaars betaald worden.

Omstreeks dezen tijd ontstond er een nieuwe stand, die lot lieden in de oudheid onbekend was, het was die der colonen of niel vrije boeren, de lijfeigenen der middeleeuwen. Zij behoorden tot het landgoed huns meesters, en mochten dit niel verlaten; zij moesten het land der grondeigenaren bebouwen en hun een bepaald deel der veldvruchten afstaan. Tot den krijgsdienst mochten zij niet worden opgeroepen, daar zij gerekend werden onafscheidelijk aan het landgoed van hun heer verbonden te zijn; ook waren zij verschoond van alle opbrengst aan den staat. Daarom lieten in hef begin vele verarmde vrije boeren zich in dezen nieuwen stand opnemen, eene daad die hun later zeer berouwde.

De hoog opgevoerde belasting, die op het rijk drukte, verschafte den kei-

Strïckfuss. II. 4Q

Sluiten