Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog meer zijne ijverzucht gaande en fluisterden hem in liet oor, dal Julianus ongetwijfeld van zijne populariteit partij zou trekken, om naar de alleenheerschappij te dingen.

De trouw van het leger verleende aan Julianus eene groote macht, en het was niet mogelijk hem uit Gallië terug te roepen, zonder van die daad rekenschap te geven; eerst moest men zijn invloed ondermijnen voordat men daartoe kon overgaan.

Derhalve riep de keizer, op raad zijner hovelingen, een groot deel der legioenen, die onder bevel van Julianus stonden, naar het oosten. Dit bevel bracht bij de troepen, die bij Parijs gelegerd waren, eene groote verbittering te weeg. Eenparig besloten zij. den keizer niet te gehoorzamen. Omstreeks middernacht trokken zij in dichte drommen. met zwaarden en bogen gewapend en van fakkels voorzien, naar hef paleis van Julianus en riepen hem tot augustus uit.

Julianus was geheel ontsteld over deze handeling zijner soldaten; hij liet de deuren versperren. Doch slechts korten tijd gelukte het hem, de woedende bende buiten liet paleis te houden. Met het aanbreken van den morgen drongen de soldaten in hel vorstelijk verblijf door; zij voerden Julianus met zich en geleidden hem met onlbloote zwaarden door de straten van Parijs. Op het tribunaal begroetten zij hem andermaal als keizer.

Tevergeefs bad, vruchteloos bezwoer Julianus hen, den roem hunner onsterfelijke zegepralen niet door oproer te bezoedelen; tevergeefs beloofde hij hun vergeving, wanneer zij zich onderwerpen en voortaan hun eed houden wilden. De soldaten weigerden dit halsstarrig, en dreigden zelfs hem te vermoorden, indien hij er niet in bewilligde, hun keizer te zijn. Eindelijk gaf l'ij toe. Onder een oorverdoovend vreugdegejuich werd hij op een schild omhooggeheven, terwijl een kostbaar halssieraad het gemis van een diadeem vergoedde.

Julianus was aldus tol keizer verkozen; hij nam die benoeming aan, terwijl hij, gelijk dit gebruikelijk was, den soldaten een klein geschenk beloofde.

De Christengeschiedschrijvers, welke Julianus, den heimelijken afgodendienair, wien zij wegens verzaking van het Christendom den bijnaam van Apostata (den afvallige) gegeven hebben, doodelijk haatten, willen hiervan niets gelooven, zij verklaren het verhaal, dat hij den diadeem zou geweigerd hebben, eenvoudig voor een sprookje. Zelfs verwijten zij hem, dat de opstand der soldaten door zijne kuiperijen in het leven is geroepen en dal hij bloot voor den schijn het purper afwees. Het is mogelijk, hoewel niet zeker, dat dit vermoeden gegrond is; in ieder geval echter kon Julianus, toen hij eenmaal tot augustus uitgeroepen was, niels anders doen dan zich die keus laten welgevallen, want hij wist zeer wel, dat Constantius hem voortaan met vrees en achterdocht zou gadeslaan. Wilde hij zijn hoofd niet weerloos aan het zwaard van den beul prijs geven, dan kon hij zich niet van zijne trouwe legioenen scheiden.

In weerwil van dit alles gedroeg hij zich zachtmoedig en vredelievend; hij vervolgde niet een der aanhangers van Constantius.' maar beschermde hen veeleer tegen de woede zijner soldaten, en richtte lot den keizer een brief, waarin hij betuigde, dat hij niets had bijgedragen lot zijne verheffing tot augustus. Hij verzocht als zoodanig erkend te worden, dan wilde hij aan Constantius gaarne de hoogste plaats inruimen en hem ook in het vervolg met trouw en toewijding aanhangen.

De brief bleef zonder uilwerking. Constantius verlangde, op aansporing van Eusebius. onvoorwaardelijke onderwerping, en dit stond voor Julianus gelijk met het onderteekenen van zijn eigen doodvonnis. De wapenen moesten dus beslissen.

Aan liet hoofd van een voortreffelijk uitgerust leger brak hij in het jaar 361 naar het oosten op. Het kwam echter niet tot een strijd, want Constantius, die met zijne troepen tegen Julianus was opgerukt, werd onderweg ziek en stierf den 3en November 361. Julianus werd door de beide legers als keizer van den Bomeinschen staal erkend.

Sluiten