Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de harige dijen mei bokkevellen. Zij gaan slecht Ie voet, wijl hunne wanstaltige schoenen den vrijen gang belemmeren. Doch op hunne leelijke. maar onvermoeibare paarden zitten zij als vastgegroeid: te paard verrichten zij hunne dagelijksche bezigheden; te paard koopen en verkoopen, eten en drinken zij, ja zij slapen zelfs, op den nek van hun paard geleund; te paard ook houden zij hunne bijeenkomsten en beraadslagingen. Zij hebben geen eigenlijk opperhoofd, maar volgen zonder nauwen band hun aanvoerder. In eene wigvormige slagorde geschaard vangen zij met een luid en verschrikkelijk geschreeuw den strijd aan. Zij zijn vlug en behendig; opzettelijk sluiven zij op eens uil elkander, om zich onverwacht te herzamelen en een vreeselijk bloedbad aan te richten.

Men ziet hen noch verschansingen beslormen, noch eene vijandelijke legerplaats plunderen, zoo verbazend snel dringen zij immer voorwaarts. Uit de verte strijden zij met hunne werpspietsen, welker punten bestaan uit scherpe, kunstig vervaardigde beenderen, in de nabijheid vechten zij met het zwaard. Het meest zijn zij nog daardoor te duchten, dat zij den vijand, terwijl deze op hunne zwaarden acht slaat, strikken over het hoofd werpen, die hem allen wederstand beletten. Zij kennen noch ploeg, nog egge; zonder vaste woonplaatsen en zonder wetten, zonder huis of haard trekken zij met hunne wagens als zwervelingen rond. De wagens zijn hunne woningen, hier laten zij vrouwen en kinderen, totdat de laatsten volwassen zijn. Evenmin als het redeloos dier kennen zij onderscheid tusschen deugd en ondeugd, geloof en godsdienst zijn hun vreemd". •

De Hunnen vielen in ontelbare benden eerst op de Alanen. Deze waren spoedig ten onder gebracht, en sloten zich bij de overwinnaars als trouwe bondgenooten aan, om deel te nemen aan hunne strooptochten. In vereeniging met de Hunnen deden zij in het jaar 375 een inval in het rijk der Gothen.

De anders zoo onversaagde Germanen sidderden nu voor de zoo gevreesde vijanden, wien zij eene bovenmenschelijke dapperheid toeschreven. Zij hielden de Hunnen voor afstammelingen der daemonen. Hunne legenden luidden, dat Scythische toovenaressen, die wegens hare schandelijke kunstenarijen uit de maatschappij der menschen waren verjaagd, zich in de woestijn met helsche geesten hadden verbonden, en dal de telgen van deze afschuwelijke vereeniging de Hunnen waren.

Het groote rijk der Gothen waf in dezen tijd door binnenlandsche onlusten verdeeld. De grijze Hermanrik, 110 jaar oud, leed aan eene wond en bovendien bezat hij de macht niet om den indringenden vijand hel hoofd te bieden. In vertwijfeling bracht hij zich om het leven.

Het kostte den Hunnen weinig moeite, de Oost-Gothen te overwinnen en schatplichtig te maken; daarna deden zij een aanval op de West-Gothen. Dezen waren toenmaals in twee partijen verdeeld: de heidenen onder Alhanarik, de Christenen onder Fritigern.

Athanarik vluchtte met een gedeelte van zijn stam naar Zevenbergen, de overige West-Gothen trokken onder Fritigern en Alavivus naar den Donau, om in het rijk der Romeinen eene woonplaats te zoeken. Bisschop Ulfilas werd door Fritigern tot keizer Yalens afgezonden, om hiertoe de noodige vrijheid te vragen; hiervoor namen de aanvoerders der West-Gothen de verplichting op zich, om den keizer in zijne oorlogen trouw ter zijde te slaan.

Wel scheen het den keizer gevaarlijk, den Gothen het verlof lot deze vestiging te verleenen, want de dapperheid en onversaagdheid der Duitschers lagen hem nog maar al te goed in het geheugen. Maar nog gevaarlijker scheen het, door eene weigering die dappere krijgslieden tot wanhoop te brengen, die met vrouwen en kinderen aan gene zijde van den Donaa stonden te wachten en elk oogenblik als vijanden konden overkomen, indien zij niet als vrienden opgenomen werden.

Valens besloot eindelijk, den Golhen vrijen toegang tot zijn grondgebied

Sluiten