Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

le verleenen, maar stelde daarbij harde voorwaarden. Zij moesten aan de overzijde der rivier hunne wapenen achterlaten, alle levensmiddelen en verdere behoeften voor gereed geld inkoopen, en, om den Romeinen een onderpand voor hunne vredelievende gezindheid te geven, hunne knapen als gijzelaars uitleveren.

Hoe vernederend deze voorwaarden ook mochten zijn, toch namen de aanvoerders der West-Gothen ze aan. Met behulp van vlotten en schuiten, hun door de Romeinen tot dit doel afgestaan, werden zij bij gedeelten over den Donau gezet. Als hulpbehoevende vluchtelingen betraden zij het gebied der Romeinen, en als zoodanig werden zij door soldaten en ambtenaren opgenomen.

De hluuwoogige vrouwen en maagden der Gothen, behaagden den wellustigen Romeinen zeer; onder walgelijke liefdesbetuigingen werden ze uil de armen harer echtgenooten en vaders weggescheurd, en weerloos, met verbeten gramschap moesten de Germanen het aanzien, hoe hunne dochters en vrouwen onteerd werden.

Iedere levensbehoefte werd den Gothen voor een schandelijk hoogen prijs verkocht: een stuk brood kostte een slaaf, een doode hond moest met een kind betaald worden.

Over zulk eene handelwijze waren de Duitschers ten zeerste vergramd, en toen nu de Romeinsche soldaten door woeste drinkgelagen minder achtzaam werden, slaken met de ongewapenden tevens gewapenden de rivier over. De Romeinsche beambten lieten dit oogluikend toe, de geldzuchtigen lieten zich omkoopen en dachten niet meer aan de voorwaarden, die door den keizer waren gesteld. Weldra stond een leger van 200,000 Gothische krijgslieden op Romeinscli gebied: de sterkte van den geheelen stam met vrouwen en kinderen wordt op een millioen menschen begroot.

Het was voor de Romeinsche bevelhebbers eene hoogst moeielijke taak, levensmiddelen te verschaffen om zooveel monden te spijzigen; met den besten wil zouden zij hiertoe zelfs nauwelijks in staat zijn geweest, doch zij waren hiertoe ook volstrekt niet geneigd. Lucipinus en Maximus, de beide bevelhebbers in Thracië, wilden deze gunstige gelegenheid om zich te verrijken niet ongebruikt laten voorbijgaan. Onophoudelijk stegen de prijzen der slechtste voedingsmiddelen; de Gothen moesten eindelijk al hunne bezittingen en slaven, ja zelfs hunne kinderen ten offer brengen, om niet den vreeselijken hongerdood le sterven.

De verkropte woede der niet langer ongewapende menigte, haar doodelijke haat tegen de Romeinen groeide mei eiken dag aan; niets ontbrak er dan eene aanleiding om het smeulend vuur des loorns in lichter laaie te doen uitbarsten en deze aanleiding gaf Lucipinus.

Hij had, toen de Golhen tol Marcianopolis genaderd waren, de legerhoofden Fritigern en Alavivus op een gastmaal genoodigd. Voor de poorten der stad waren de Gothische stammen gelegerd, aan wie zelfs de dringendste levensbehoeften geweigerd werden. Tusschen hen en de Romeinen kwam hel hier tot eene lichte schermutseling. Nauwelijks vernam Lucipinus dit, of hij gaf hevel om de lijfwacht der Gothische vorsten neer te houwen.

Fritigern hoorde hel angstgeschreeuw zijner soldaten; hij wist, dat hij en zijn makker hen in den dood volgen moesten. IJlings vatte bij een kort en kloek besluit. Hij sprong van zijne zitplaats op en riep met donderende stem den verschrikten Romeinen toe, dal hunne stad onfeilbaar aan de wraak der Golhen was prijsgegeven, wanneer zij het durfden wagen weerlooze gasten te dooden. Hierop trok hij zijn zwaard, en zonder dat iemand hem durfde terughouden, drong hij met Alavivus door den drom der verbaasde Romeinen heen. Ongedeerd bereikten de vluchtelingen de poort, zij stegen te paard en voegden zich weder bij de hunnen.

Het verraad van Lucipinus was het teeken lot den strijd. Vol geestdrift volgden de Gothen de roepstem hunner aanvoerders. Er ontstond eene bloe-

Sluiten