Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leger der Hunnen slool haar niet alleen in, maar beproefde ook de bestorming, doch tevergeefs, want men weerde zich daar binnen dapper.

Bij herhaling werd de storm afgeslagen, en een groot aantal Hunnen vulden met hunne lijken de grachten, zonder dat nog eenig voordeel was behaald. Wat de dapperheid der Hunnen niet vermocht, scheen intusschen de honger te zullen uitwerken. De inwoners, wien alle toevoer afgesneden was, kregen weldra gebrek aan levensmiddelen, en waarden eindelijk met bleek en hol gelaat over de muren rond. De krachten ontzonken den dapperen strijders, reeds begonnen zij van overgave te spreken, toen de Christelijke bisschop mannen en vrouwen ronjlom zich verzamelde, en zich met hen op de knieën wierp, om de hulp van God af te smeeken. Het gebed zou verhoord worden, want juichend riepen de wachters van den toren naar beneden, dat zij in de verle stofwolken zagen opstijgen. Het was het leger, waarmede Aëtius en Thorisinund, de dappere zoon van Theodorik, koning der West-Guthen, tot onlzet der slad kwamen aanrukken.

Aüila achtte het niet geraden, voor Orleans den slag te wagen; het terrein scheen hem niet gunstig, want alleen in eene uitgestrekte vlakte kon hij zijne geduchte krijgsmacht geheel ontwikkelen en al het mogelijke voordeel trekken van zijne talrijke benden lichte ruiterij. De Calalaunische velden, bij Chalons aan de Marne, boden zulk een slagveld aan; hier nam Attila eene gunstige stelling in, hier zou de geduchte en bloedige kamp om de wereldheerschappij volstreden worden.

jf De Romeinen, Golhen. Alemannen en andere verbonden stammen hadden zich insgelijks vereenigd en namen tegenover het legerkamp van Attila hunne stellingen in. Het uur van den strijd naderde; op eenmaal werd de onversaagde Hunnenkoning overvallen door eene huivering, gelijk hij lot heden nimmer bij zich ontwaard had. Sidderend zag hij den aanvang te gemoet van den beslissenden strijd, die hem wellicht eene wereldheerschappij zou verschallen, doch hem aan den anderen kant met volslagen ondergang dreigde. Hij ondervroeg de waarzegsters omtrent den alloop van het gevecht; aan hare uitspraak wilde hij zich onderwerpen! Uil de beenderen en ingewanden der geslachte offerdieren voorspelden de priesteressen, dat de koning door een ongeluk bedreigd werd, doch dat in den aanstaanden strijd de opperbevelhebber der vijanden vallen zou.

Naar Attila's meening kon alleen Aëtius als opperbevelhebber bedoeld zijn, en de dood van dezen man woog bij hem zelfs tegen het verlies van een veldslag op. Zijn moed herleefde; hij gebood, den volgenden morgen te 9 uur den aanval te beginnen.

De beide ontzaglijke legers stonden in slagorde op de uitgestrekte vlakte tegenover elkaar, slechts door eene kleine heuvelrij gescheiden. Aëtius had de West-Golhen, onder hun dapperen koning Theodorik, op den rechter vleugel geplaatst; den linker vleugel voerde hij zelf aan, terwijl in het centrum de Alaansche volksstammen stonden, in welke Aëtius geen al te groot vertrouwen stelde, en die bij daarom tusschen zijne benden en de getrouwe West-Gothen geplaatst had.

Attila had zijn leger zoo opgesleld, dat de Oost-Gothen onder hunne koningen Walamir, Theodemir en Widemir den linkervleugel eu de Gepiden onder Ardarik den rechtervleugel bezeilen; hij zelf nam met zijne Hunnen het midden in. Met fijne berekening had Attila de Gothen tegenover elkander geplaatst, want hij wist, dat een gevecht tusschen stamverwante volken altijd het hevigst is.

De strijd begon. De West-Gothen rukten voorwaarts en maakten zich meester van de heuvelketen; tevergeefs spanden de Oost-Gothen alle krachten in, om vasten voet te krijgen op de hoogten en hunne stamgenoolen terug te drijven. Tevergeefs snelde Attila hun ter hulp; met onwrikbare» heldenmoed hield Theodorik den strijd aan het hoofd zijner manschappen vol.

Sluiten