Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den keizer in tegenwoordigheid van zijn talrijken stoet met zijn gunsteling Herachus om liet leven, zonder dat een enkel hoveling zich te^en die daad durfde verzetten. 0

De moordenaar werd de erfgenaam van den vermoorde; Petronius Maximus werd door het volk en den senaat tot keizer uilgeroepen. Om zijne heerschappij te bevestigen, dwong hij, nadat zijne gemalin overleden was, keizerin Eudoxia, de dochter van Theodosius II, om met hem in den echt te treden.

Eudoxia haatte den moordenaar van haar gemaal; alleen om haar leven' te redden, schonk zij hem hare hand. Haar vurigste wenscli was, zich te' wreken, en daarom wendde zij zich, gelijk men verhaalt, tot den Vand'aalschen koning Genserik in Afrika en smeekte hem in het geheim om hulp.

Genserik gaf aan die roepstem gehoor. Zeker is het, dat hij hiertoe meer door roofzucht dan door de bede der keizerin bewogen werd, wanneer ten minste dit aanzoek niet geheel lot hel rijk der verdichting behoort. Eene "educhte vloot landde aan den mond van den Tiber.

De krijgsmacht, door den Vandalenkoning bijeengebracht, was zoo ontzaglijk, dat Petronius Maximus den moed geheel verloor; alleen door eene overhaaste vlucht meende hij zich te kunnen redden. Ook de senatoren spoorde , bij aan om hem te volgen, maar nauwelijks verscheen hij op de straat, of het volk wierp zich op hem en steenigde hem. Zijn misvormd lijk werd in den Tiber geworpen. Slechts drie maanden had hij geregeerd.

Zonder tegenstand te ontmoeten drong Genserik tot voor de poorten van Rome door. Rome's inwoners waren het strijden ontwend, zij vestigden hunne hoop alleen op bet medelijden van den barbarenvorst, hetwelk doo°r bisschop Leo, die Attila tot den terugtocht bewogen had, andermaal zou worden ingeroepen. De waardige kerkvoogd, trad den gevreesden Genserik moedig onder de oogen, en wederom mocht het zijne welbespraaktheid gelukken, ten minste het vreeselijk lot af te wenden, waarin anders al de door Genserik veroverde steden moesten deelen. Op voorbede van Leo beloofde hij, dat Rome niet verbrand zou worden; ook zou hij de inwoners niet doen ombrengen of martelen. Hiermede waren de ontaarde afstammelingen der oude Romeinen reeds tevreden. Veertien dagen achtereen vierden de Vandalen en de met hen verbonden Moorsche soldalen, die drie dagen na den dood van Petronius Maximus Rome binnenrukten, aan hun zucht tot rooven en plunderen den teugel. Onnoemlijke schatten werden door hen opgespoord; alles, wat slechts eenige waarde bad, werd meegevoerd; het vaatwerk, door Titus eens uit den tempel van Jeruzalem naar Rome gebracht, de prachtige godenbeelden, zelfs het vergulde dak van het Capitool, alles wat waarde had, in één woord, werd een buit der barbaren.

Duizenden gevangenen, onder welke zich ook de keizerin Eudoxia en hare twee dochters bevonden, werden naar Afrika gevoerd. Nochtans hield Genserik woord; Ivj liet de slad niet in brand steken en de inwoners, hoewel tot slavernij gebracht, werden niet vermoord.

Bij deze plundering werden vele heerlijke kunstwerken, die niet konden medegevoerd worden, door Genseriks ruwe krijgers moedwillig verminkt of vernield. Sedert die dagen is het woord «Vandalisme" tot een spreekwoord geworden. Op Petronius Maximus volgde in den loop van 20 jaren, tot den ondergang van het Westromeinsche rijk, eene reeks van keizers, die voor het grootste deel zoo weinig beteekenden, dat hunne namen niet waardig zijn vermeld te worden. De eerste was de veldheer Avitus, die met hulp van Theodorik II, koning der West-Gothen, den keizerlijken zetel beklom *).

Hij werd reeds in bet volgende jaar (436) door den Sueef Ricimer van den Iroon geslooten.

*) Theodorik II had zich door het vermoorden van zijn broeder Thorismund den weg tot den troon weten te banen.

Sluiten