Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stalen, die in de voormalige provinciën van het Westromeinsche rijk ontslaan waren, om dan met een vluchtigen blik op de geestelijke ontwikkeling der volken in de laatste lijden afscheid Ie nemen van de geschiedenis der oudheid.

In Gallië was het rijk der West-Gothen zoowel in uitgestrektheid van grondgebied als in macht en invloed zeer toegenomen. Koning Theodorik II was een krijgshaftig en bekwaam vorst, die zijne macht (en koste der Romeinen uitbreidde. Nog meer aandacht verdient echter koning Eurik (466—484), de broeder van Theodorik, die zich door het vermoorden van den laatste den weg baande tot den troon, welken hij door schitterende veroveringen bevestigde.

Eurik ontweldigde den Romeinen Marseille, Arles en het land der Avernen en strekte westwaarts zijne heerschappij over Spanje uit, ja hij onderwierp bijna het geheele schiereiland aan zijne macht. De Sueven werden naar het noordwestelijk gedeelte des lands teruggedrongen. Het rijk der Golhen in Gallië omvatte alzoo in zijn schitterendst tijdperk onder Eurik het grootste deel van Spanje, en strekle zich in Gallië van de Pyreneën tot aan de Loire in het noorden, en tot aan de Rhöne in het oosten uit, terwijl aan gene zijde van genoemde rivier de kustlanden tot aan de Ligurische Alpen evenzeer daartoe behoorden.

Ten noorden van de Loire, tusschen deze rivier en de Seine, bleef nog een klein grondgebied in het bezit der Romeinen, doch het had zich reeds als een Romeinsch vorstendom onafhankelijk gemaakt. Het stond onder den veldheer Aegidius. Deze, een trouw aanhanger van Majorianus, zegde na diens dood aan Ricimer alle gehoorzaamheid op. Ondersteund door een dapper, talrijk, en hem trouw verknocht leger, wist hij zijn klein gebied tegen de West-Gothen en Franken, zijne gevaarlijkste naburen, met goed gevolg te verdedigen.

Ten noorden van de Seine woonden de Franken. Dezen waren reeds sedert langen lijd onafhankelijk en werden door hunne langharige koningen, uil hel geslacht der Merovingers, geregeerd. Het dragen van golvende haarlokken was een voorrecht dezer koningen, en daarom moesten hunne onderdanen het haar kort afgesneden dragen.

Ook Brittannië had zich aan de heerschappij der Romeinen onttrokken. De Britten hadden terstond hunne onafhankelijkheid herwonnen, toen de Romeinsche legioenen het eiland moesten verlaten, om aan de binnenlandsche oorlogen deel te nemen. Doch het viel hun zwaar, zich in het bezit hunner vrijheid te handhaven, want voortdurend hadden zij Ie kampen met hunne noordelijke naburen, de Pielen en Scoten, die onophoudelijk het zuidelijk deel des lands door strooptochten verontrustten. Koning Vortigern — zoo luidt de overlevering, wier geloofwaardigheid echter niel boven allen twijfel verheven is -- besloot eindelijk de krijgshaftige Duitschers, namelijk de Saksers, Angelen en Jutten, welke aan de mondingen van de rivieren de Elbe, Wezer en Rijn woonden, ter hulp te roepen. Deze onversaagde Duitsche zeeschuimers gaven bereidwillig aan die roepslem gehoor. Onder aanvoering der gebroeders Hengist en Horsa stevenden zij in hel jaar 449 (?) naar Brittannië. Zij bevrijdden de Britten van hunne noordelijke vijanden, maar werden spoedig voor de vrijheid hunner beschermelingen nog gevaarlijker, dan de Pieten of Scoten ooit geweest waren. Zij deden hunne stamgenoolen uit hun vaderland overkomen, en weldra werd Brittannië door de Duitsche krijgsbenden overstroomd en op echt barbaarsche wijze verwoest. Zeven Saksische koningen stichtten in den loop des tijds in Brittannië onafhankelijke rijken.

In de provincie Afrika voerde Genserik, de wreede koning der Vandalen, eene bloedige heerschappij. De Yandaalsche roofschepen beheerschten de Middel landsche Zee.

Zoo zien wij dan aan het einde van dit tijdvak der geschiedenis de Duitsche barbaren overal in het westen als de erfgenamen der Romeinen optreden. Het Romeinsche rijk had zich zelf overleefd. Het stortte door zijne eigen

Sluiten