Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vernietiging der kolonie op Hispaniola.

begunstigd, dat hij reeds den 2en November het eerste derCaraïbischeeilanden ontdekte, die hun naam aan hunne bewoners, de Cariben of Caraïben, ontleenden. Het eene eiland voor, hel andere na werd in de eerstvolgende weken ontdekt en door Columbus met een bijzonderen naam aangeduid, maar lol een langer verblijf aldaar kwam het niet, omdat er geene schatten te vinden waren.

Van de inwoners zag Columbus weinig, zij trokken zich meestal voor de Europeanen terug, doch uit hel huisraad, dal hij in hunne verlaten hutten vond, maakte hij op, dat zij een eenigszins hoogeren trap van beschaving bereikt hadden dan de Indianen, met wie men tot dusver kennis had gemaakt. Eenige slavinnen der Cariben, die uit de verlaten dorpen lot de Europeanen vluchtten, verhaalden, dat zij van andere eilanden geroofd waren en schilderden de Cariben als afschuwelijke menschenelers af.

Den Hea November kwam het voor de eerste maal tot een gevecht met de Indianen. Zes Cariben, vier mannen en twee vrouwen, die in eene boot de schepen dicht genaderd waren, om ze te kunnen bekijken, werden aangevallen door eene Spaansche boot, welke hun den terugtocht afsneed; zoodra ze dit zagen verdedigden de Cariben zich wakker. Twee Spanjaarden werden door hunne vergiftigde pijlen gewond, een van hen zelfs doodelijk. Toen de boot der Indianen in het gevecht omvergeworpen werd, zetten zij den strijd zwemmende voort. Slechts één, die zwaar gewond was, kon krijgsgevangen gemaakt worden, de overigen bereikten het strand.

Daar er hij zulke gevechten niet het minste voordeel te behalen was, besloot Columbus naar Hispaniola terug te keeren, om daar de op zijne eerste reis gestichte kolonie te bezoeken. Hij hoopte haar iu den bloeiendsten toestand en in het bezit van groote rijkdommen Ie zullen aantreden, want de groole gemakkelijkheid in aanmerking genomen, waarmede de goudhandel tot dusver gedreven was, moest de kolonie groote schatten opgestapeld hebben.

Het was op den avond van den 27en November, dat Columbus op de kust van Hispaniola tegenover de plaats aankwam, waar zijn fort lag. Wegens de heerschende duisternis liet hij zijne aankomst dooi twee kanonschoten aankondigen, maar — het verwachte antwoord bleef uil, er heerschle eene onheilspellende stille.

Mei hel krieken van den volgenden morgen ging Columbus aan land. Met de grootste ontzetting zag hij, dat daar, waar hij gehoopt had eene bloeiende kolonie te zullen vinden, slechts een zwart geblakerde puinhoop lag. In het gras vond hij hier en daar eenige bezittingen der Europeanen en een aantal half vergane lijken verspreid.

Van de naburige Indianen, die zich thans reeds zeer goed door de Spanjaarden konden doen verstaan, ontving Columbus treurige berichten omtrent liet lot der kolonie.

Na het vertrek van den admiraal had de bezetting van liet fort zich aan een losbandig leven overgegeven; elke Spanjaard had een paar Indiaansche vrouwen !ol bijzitten genomen en hare mannen en vaders op de grotste wijze mishandeld. Kort daarna waren er oneenigheden en vervolgens bloedige vechtpartijen lusschen de kolonisten zelf uitgebarsten: eenigen hunner besloten een strooptocht naar hel goudland Maguana in het binnenland te ondernemen. In M aguana regeerde de cazique Caonabo, een krijgshaftig vorst, die de Europeanen met liet zwaard in de vuist ontving en al de indringers doodde, vervolgens legen het fort oprukte, het verbrandde, en al de kolonisten vermoordde. Vijl' hunner, die zich in eene boot trachtten te redden, verdronken door het omslaan van het vaartuig. Guacanagari, de met de Europeanen bevriende cazique, werd door Caonabo zwaar gestraft, zijne stad werd verwoest, terwijl velen zijner mannen in den strijd gedood of gewond werden.

Deze treurmare was een zware slag voor Columbus. Hij had zijne gezellen beloofd, hen naar eene bloeiende kolonie te voeren, waar zij rijke, niet weinig inspanning verworven schatten vinden zouden. Een groot aantal booten, met

Sluiten