Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hojeda's mislukte slavenjacht. Stichting van San Sebastiaan.

in November 1509 mei vier schepen en 300 man üe reis naar zijn stadhouderschap kon ondernemen. Tien dagen later verliet Nicuesa St. Domingo. Dewijl zijne middelen grooter waren dan die van Hojeda en buitendien de tooverklank van den naam Veragua de naar goud dorstende avonturiers in grooten getale naar Goud-Kastilië lokte, kon hij eene voort redelijke vloot van zeven vaartuigen, bemand met 700 krachtige strijders, naar het westen voeren.

Hojeda, die na een korten overtocht van \ of 5 dagen in de haven van het tegenwoordige Carlagena aankwam, besloot terstond eene lading slaven in te nemen, ten einde eenige schulden, welke hij op Hispaniola gemaakt had, zoo spoedig mogelijk at'te doen. Hij vermoedde niet, dat hij aan deze kust met een veel gevaarlijker vijand te doen had, dan met de Indianen, die hij in vroegere gevechten had leeren kennen.

De Caraïbische stammen aan de kust waren dapper, krijgshaftig en voorzien van wapens, welke bijna nog gevaarlijker waren dan de lompe vuurwapenen der Spanjaarden, namelijk pijlen, wier punten, in een 'sterk vergift gedoopt, den gewonde meestal onvermijdelijk doodden.

Met ongeveer 100 man overviel Hojeda bij het krieken van den dag het dorp, dat op de plaats van het tegenwoordige Carlagena lag, en behaalde op de Indianen, die volstrekt niet op een overval bedacht waren, eene onbloedige zegepraal. Alle inwoners, die niet in aller ijl vluchtten of in het gevecht sneuvelden, werden gebonden naar de schepen gevoerd.

Deze gelukkige uitslag moedigde Hojeda aan tot eene tweede dergelijke onderneming tegen een zeker dorp Yurbaco, dal eenige mijlen verderop gelegen was. Met ongeveer 70 man trok hij den volgenden morgen derwaarts, doch hij vond slechts ledige huizen, de inwoners waren gewaarschuwd en hadden zich door de vlucht gered. Zorgeloos gaven de Spanjaarden zich aan de rust over; zij verstrooiden zich, om onder schaduwrijke hoornen of in de hutten der Caraïben de heete uren van den dag tot aan den avond door te brengen. Maar zij werden door de Indianen zeer onzacht uit hunne sluimering gewekt. Van alle zijden één voor één aangevallen werden de Spanjaarden binnen korten lijd door de vergiftigde pijlen gedood. Hojeda en enkelen zijner krijgsmakkers ontvluchtten, al de overigen werden afgemaakt.

Juist was Hojeda, dien de bemanning zijner schepen geheel uilgeput door zijne overijlde vlucht in een bosschage aan den oever ontdekt had, door de zijnen in veiligheid gebracht, toen op de zee het eskader van Nicuesa in het gezicht kwam.

Nauwelijks hoorde deze van het ongeval, dat Hojeda getroffen had, of hij verklaarde zich bereid hem hulp te verleenen. Nog denzelfden avond gingen 400 man op marsch, om den dood hunner makkers op de bevolking van Yurbaco te wreken. De Spanjaarden overvielen de Indianen, die meenden van hunne vijanden ontslagen te zijn; zij omsingelden het dorp, staken het in brand en dreven allen, die aan den vuurgloed trachtten te ontkomen, in de vlammen terug. Geen enkele Indiaan bleef in leven, ouderdom noch kunne werd gespaard.

Toen des morgens de gruwelijke slachting geëindigd was, zochten de Spanjaarden de lijken hunner landgenooten op. Zij vonden die door het vergift op de afschuwelijkste wijze opgezwollen. De anders zoo vermetele avonturiers verloren op dit gezicht den moed. Geen hunner wilde op dat onherbergzaam strand achterblijven, maar zij spoedden zich naar de schepen, om zich op zee in veiligheid te stellen. Hier sloegen de beide eskaders een verschillenden weg in: Nicuesa zette koers naar Veragua, Hojeda voer de kust langs, om eene andere geschikte plaats voor eene volkplanting op te zoeken. "Ü meende die eindelijk niet ver van de westelijke grenzen van zijn stadhouderschap gevonden te hebben. Op eene naar hel scheen gunstig gelegen plek stichtte hij in den aanvang van het jaar 1510 eene versterkte kolonie, waaraan hij den naam San Sebastian gaf.

Sluiten