Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Albuquerque te Ormuz.

factorij te vestigen, beschouwde Albuquerque als eene zaak van liet hoogste gewicht. Nadat hij zich, langs de Arabische kust voortzeilend, deels niet geweld, deels door onderhandelingen meester gemaakt had van vijf lot het koninkrijk Ormuz behoorende steden, kwam hij in September voor de hoofdstad zelf aan.

Hij trof haar in een zeer goeden staat van verdediging aan; zij was bezet door 30,000 welgewapende krijgers, in de haven lagen UK) vaartuigen, waaronder 00 groote schepen. Midden tusschen deze in liet Albuquerque zijne vloot het anker uitwerpen. Vervolgens zond hij gezanten tot den koning of liever lot diens staatsdienaar — want de koning was nog een kind — met de verklaring, dat de koning van Portugal hem gezonden had, om vrede te brengen aan alle volken, die bereid waren zijn koning schatplichtig te worden, doch allen ten onder te brengen, die dit weigerden.

Deze vermeldde eisch, door eenige weinige vreemdelingen tot de sterke en welbezette stad gericht, scheen bijna belachelijk. De koning gaf daarom ten antwoord, dat hij niet gewoon was, schatting te betalen, maar wel die te ontvangen. Ter eere van den koning van Portugal stond hij echter diens velhebber toe, te Ormuz handel te drijven.

Albuquerque toonde oogenblikkelijk, dat het hem met zijne vordering ernst was. Zonder verdere onderhandelingen greep hij de in de haven liggende schepen aan en bracht daaronder zulk eene verwoesting teweeg, dat hij den vijand een doodelijken schrik aanjoeg. Een vredesgezantschap verscheen; de koning verklaarde zich bereid tot onderwerping en tot betaling van eene jaarlijksche schatting en stond Albuquerque daarenboven toe, op eene plaats, die deze zelf kon uitkiezen, eene Portugeesche vesting aan te leggen. Het verdrag werd van beide zijden bezworen en eene plaats tot het bouwen van een fort in de onmiddellijke nabijheid van 's konings paleis uitgezocht.

Albuquerque had met zijne geringe hulpmiddelen «en schitterend voordeel behaald en hij zou den bouw zijner vesting ongetwijfeld voltooid hebben, in weerwil van de hinderpalen, hem door de inboorlingen in den weg gelcd, indien hij slechts in staat was geweest zijne eigen manschappen in toom te houden. Dit was echter niet het geval. Menigmaal gedroeg hij zich hard en streng, willekeurig en hartstochtelijk; hierdoor beleedigde hij zijne officieren, die hem een doodelijken haat toedroegen.' Het kwam tot eene openlijke breuk; drie zijner scheepsbevelhebbers verlieten hem met hunne bodems en zeilden naar Indië.

Door dezen afval verzwakt, kon Albuquerque niet langer de ontzagwekkende houding blijven aannemen, waardoor het hem alleen mogelijk was, den koning tot nakoming zijner verbintenis te nopen; hij zeilde derhalve naar Socotora" om hier de winterkwartieren te betrekken. In September 1508 keerde hij naar Ormuz terug; hij waagde nog eene poging om den koning tot de stipte naleving van het gesloten en bezworen verdrag te bewegen, doch deze verklaarde, dat hij wel de toegezegde schatting betalen wilde, maar dat hij het voortzetten van den bouw der vesting niet toestaan kon. Deze weigering gaf aanleiding tot meer dan één gevecht, waarin de Portugeezen wel eene schitterende dapperheid aan den dag legden, maar geene noemenswaardige voordeelen behaalden. Albuquerque kon zich eindelijk niet langer ontveinzen, dat zijne strijdkrachten ontoereikend waren. Hij verliet Ormuz, doch bij deed eene gelofte, dat hij terugkomen en zijn baard niet afscheren zou, voordat de gewichtige stad opnieuw in zijne macht was.

Te Cotschin aanvaardde Albuquerque zijne betrekking als opperbevelhebber. Thans had hij weder aanzienlijke strijdkrachten tot zijne beschikking en hij besloot dan ook in het begin van het jaar 1510 jyne gelofte te vervullen. Reeds was hij met eene vloot van 21 zeilen op weg naar Ormuz, toen hij op raad van een met hem bevriend Indisch vorst aan zijne vloot eene andere bestemming gaf.

Sluiten