Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Kastiliaansche Stedenbond. Don Juan Padilla.

don Alfonso Suarez, dal zij dit verzoek niet konden toestaan, voordat de eisclien der steden ingewilligd waren. Ook de afgevaardigden van andere steden slolen zich bij dit protest aan.

Met een weinig toegevendheid van 's konings zijde had men toen de afgevaardigden der steden kunnen bevredigen, doch Kareis Nederlandsche raden, bij wie zich eenige Spaansche edelen aansloten, rieden den koning den trots der steden te fnuiken en de weerspannige afgevaardigden wegens hun onbehoorlijk gedrag van het hof te verbannen.

Dit geschiedde; Karei zond eene boodschap naar Toledo, waarin hij zijn misnoegen over het gebeurde op strengen toon te kennen gaf en eischte, dat de stad betere afgevaardigden zou kiezen.

De koninklijke boodschap vermeerderde slechts het te Toledo heerschend misnoegen, vooral daar twee hoogaanzienlijke mannen, don Fernando Avalos en don Juan Padilla al hunne krachten inspanden om het vuur aan te stoken.

Don Juan Padilla was de zoon van den groot-senechal van Kastilië; hoewel hij zelf uit eene hoog adellijke familie gesproten was, had hij toch de zijde der steden gekozen. Hij was gehuwd met Maria Pacheco, gravin van Tendilla, een zeer stoutmoedige en doortastende vrouw, die haar gemaal geroepen achtte om in Spanje eene groote rol te spelen, en hem ook steeds tot krachtig handelen aanspoorde.

Padilla, die van geestdrift voor de vrijheid der steden gloeide, die de Nederlandsche gunstelingen haatte en zelf van begeerte brandde om hunne plaats in te nemen, liet zich zonder moeite overhalen om de burgerij van Toledo tot oproer aan te hitsen. Ilij en Avalos verwierven zich in die stad zulk een invloed, dat hun woord daar weldra wet was en dat Kareis gevolmachtigde Toledo verlaten moest.

Karei ontbood de beide machtige mannen naar zijn hof te St. Jago. Avalos en Padilla durfden aan die oproeping geen gehoor geven, zij vreesden 's konings ongenade te zullen ondervinden. Evenmin durfden zij echter rechtstreeks gehoorzaamheid weigeren; zij zorgden derhalve er voor, dat hunne aanhangers tijdig vernamen, dat hun aan het hof van Karei een dreigend gevaar boven het hoofd hing.

Den I7C" April li>20 lieten Avalos en Padilla hunne muildieren zadelen, aan hel hoofd van hun dienarenstoet trokken zij met veel beweging de stad uit, om zich, zooals zij althans voorgaven, naar den koning te begeven. Doch hunne aanhangers hadden hun werk goed verricht. Het volk liep te hoop en riep: «Leven Avalos en Padilla, de verdedigers van het vaderland! Weg met de Vlamingen!" Het dwong de beide heeren, die zich zeer gaarne lieten dwingen, iu hunne woning terug te keeren. Vervolgens werden de overheden der stad en de aanhangers der regeering de poort uitgejaagd.

Toledo was eensklaps in vollen opstand. Het volk verkoos nieuwe overheden, die de regeering in naam des konings, der koningin Johanna en der gemeente aanvaardden. Want het koningschap had zulke diepe wortelen in den boezem des volks geschoten, dat een opstand daartegen eene onmogelijkheid zou zijn geweest.

Met diepe verontwaardiging ontving Karei het bericht van den opstand der machtige stad. Hij zou wellicht gaarne den raad van eenige zijner staatslieden gevolgd hebben en naar Toledo gesneld zijn, om daar in persoon de rust en het koninklijk gezag te herstellen, en dit te meer, daar gelijktijdig ook te Valencia onlusten waren uitgebarsten, maar zijn vertrek naar Duitschland was in zijn oog dringend noodzakelijk. Hij liet derhalve de laak om Spanje tot rust te brengen over aan kardinaal Adriaan van Utrecht, dien hij aan hel hoofd der regeering plaatste, terwijl hij zelf zich over Engeland en de Nederlanden naar het Duitsche rijk begaf.

Dat Karei de regeering aan een vreemdeling opdroeg was weer een nood-

Sluiten