Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Losbandigheid der Duitschers. Weelde. Weeldewetten. Maaltijden.

Toen Brabant ter dood gebracht werd, hieuw men hem eerst twee vingers der rechterhand af, vervolgens kneep men hein met gloeiende tangen °het vleesch uit arm en borst, daarna verminkte men hem op de schandelijkste wijze en verpletterde hem met een houten hamer langzaam het borstbeen eindelijk sneed men hem bet lijf open, rukte hem het hart met de ingewanden

" it w,!e,r,p .het «kn stervende in het gelaat. Opdat hij echter onder die afgrijselijke folteringen niet te spoedig zou sterven, werd hem gedurende de strafoefening aanhoudend zoogenaamd krachtwater ingegeven dat de levensgeesten weder opwekken moest!

Het aanschouwen van zulke wreede openbare strafoefeningen, die maar al te dikwijls onschuldigen of slachtoffers van godsdienstige of staatkundige partyschappen troffen, moest onvermijdelijk de gemoederen der menigte steeds meer verharden en haar bloeddorst prikkelen. Het natuurlijk gevolg hiervan was, dat de moordenaars zich vermenigvuldigden.

De zuster der wreedheid, de wellust, behoorde niet minder dan de eerste tot de zwakheden van het Buitsche volk en zij werd door de aanhoudende oorlogen die gedurende dat tijdperk gevoerd werden, niet weinig bevorderd Ue uil den strijd teruggekeerde lansknechten gaven zich aan dezelfde uitspaltingen over, waaraan zij zich in Italië en Frankrijk gewend hadden. De onzedelijkheid drong tot alle standen door, zij heerschte zoowel aan de vorstenhoven als in de burgerhuizen en de hutten der landlieden.

Eene afgrijselijke ziekte verbreidde zich zoo algemeen onder mannen en vrouwen van eiken stand, dat men haar zonder schroom of schaamte openlijk in de gezelschappen besprak.dat men bare talrijke slachtolïers slechts beklaagde niet veroordeelde, omdat men haar oorsprong hoogst natuurlijk vond.

Zingenot van allerlei aard was in dit tijdperk het eenig doel van bet s reven der gansclie natie. Zwelgerij en dronkenschap heerschten alom De burgers wedijverden met de edelen, de vorsten met de hooge geestelijkheid. Bij alle huiselijke feesten werd eene ontelbare schaar van gasten genoodigd. De lateis bezweken schier onder de ongeloofelijke hoeveelheid spijzen en dranken en het slot van zulk een feest bestond altijd hierin dat de gasten 111 beestachtige dronkenschap over den grond tuimelden. Be Unitschers van die dagen stelden er eene eer in bij zulke gelegenheden smoordronken te worden. Be verachtelijke uitdrukking »een Buitsch zwijn" welke de Franschen — en niet zonder grond — omtrent hunne nationale vijanden bezigden, geeft ons een zeer juist denkbeeld van de Buitsche zeden in die dagen.

Hoe ver de weelde bij zulke huiselijke feesten ging. blijkt zonneklaar uit de vele. overigens nooit opgevolgde weeldewetten, die bijna in alle Buitsche steden en staten uitgevaardigd werden, om althans aan dat misbruik eeni«ermate paal en perk te stellen. Wij willen hier slechts ééne dier verordeningen van het jaar 1551 als voorbeeld aanhalen, zij gold voor de mark Brandenburg, een land dat ten aanzien der weelde ver bij de Zuidduitscbe steden en stalen achterstond.

Bij deze verordening werden voor alle onderdanen, zoowel aanzienlijken als geiingen, zoowel voor rijken als weinig bemiddelden, de grenzen vastgesteld welke bij bruiloften, doopmaleu en andere feesten, niet overschreden mochten' worden. Bij een bruiloft mocht men niet meer dan tien tafels voor gasten aanrichten; elke van die tafels was voor twaalf personen berekend Voor kinderen en voor bloedverwanten uil vreemde sleden mochten er no" drie tates worden bijgevoegd. Bekent men hierbij nog de zwermen van"taleldekkers. van noodigers tol de bruiloft, van bedienden, knechten, meiden en muzikanten, dan heelt men een aantal van veel meer dan 200 personen welke volgens de weeldewet aan de bruiloft mochten deelnemen.

Het aantal gerechten, die den gasten voorgezet mochten worden, was tot vier beperkt; aan vreemde gasten mocht men nog een vijfde gerecht voor-

Sluiten