is toegevoegd aan je favorieten.

De geschiedenis der wereld, aan het volk verhaald

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Westeras en Upsala genomen. Heerenvergadering te Wadstena.

een gewapend man, op de keerzijde gekruiste pijlen met drie kronen vertoonden. Lle boeren lieten zich dit welgevallen, zij waren immers aan slechte munt gewoon, in oude tijden was er onder hen zelfs lederen geld in omloop geweest.

Reeds in April had Gustaaf een leger van ongeveer la tot 20,000 man onder zijne bevelen, hij benoemde twee geoefende krijgers — Lars Olofsson, wien hij zooveel te danken had, en Lars Eriehsson — tot zijne veldoversten en kon thans aan eene grootere onderneming denken; hij rukte tegen Westeras op en veroverde die stad, nadat hij onder hare muren den vijand verslagen had.

Deze nieuwe zegepraal oefende een beslissenden invloed op het lot van Zweden uit. Overal, waar het gerucht der overwinning doordrong, kwam het volk in opstand, en terwijl de Denen op Gustaaf Eriehsson als een roover en landverrader smaalden, onderwierp reeds een groot deel des lands zich aan zijn gezag. Upsala werd genomen en tegen het St. Jansfeest van 1521 kon Gustaaf reeds op Stokliolm aanrukken, om de hoofdstad te belegeren.

Stokholm had geene talrijke bezetting, maar deze was toch sterk genoeg om de burgerij in toom te houden, te meer daar een niet onaanzienlijk deel der inwoners ter wille van hunne belangen de zijde der Denen hield. Op een spoedig einde der belegering kon Gustaaf alzoo niet rekenen en dit te minder, dewijl hij niet in slaat was der stad den toevoer van de zeezijde af te snijden; daarom poogde hij voor alles zijne heerschappij op hechte, wettige grondslagen te vestigen.

In Augustus 1521 riep Gustaaf eene heerenvergadering te Wadstena bijeen. Tot zijne blijdschap verschenen niet minder dan 70 Zweedscheedelen, die bijna allen den dienst van Christiaan verlaten hadden, en vele anderen uit alle deelen des rijks. Zij boden Gustaaf de koninklijke kroon aan, doch hij was verstandig genoeg haar af te wijzen. Hij wist maar al te goed, dat hij den naijver van vele machtige edelen gaande maken zou, indien hij zich als koning liet huldigen, en nam daarom den 24'" Augustus alleen de benoeming tol rijksbestuurder aan: als zoodanig zwoeren de stenden hem den eed van trouw en gehoorzaamheid. Eenige edelen, die nog voor Christiaan II de wapenen voerden, zooals de aartsbisschop Gustaaf Trolle, die naar Denemarken gevlucht was, werden voor vijanden des rijks verklaard.

Na den heerendag te Wadstena werd het gezag van den rijksbestuurder in geheel Zweden erkend. Alleen Stokholm, Calmar en Abo in Finnland bleven nog in het bezit der Denen. Toch stonden de kansen voor den Deenschen koning volstrekt niet zoo wanhopig als liet wel scheen. De Denen waren meester van de zee; Gustaaf was niet in staat geweest hun den toevoer van versterkingen af te snijden; buitendien bestond zijn leger groolendeels uit boeren, die den oorlog sinds lang moede waren en vurig wenschten, naar hunne haardsteden terug te keeren. Ook bleef de geestelijkheid nog altijd op de hand der Denen, zij deed al haar best om het volk voor den koning te winnen. Christiaan II zorgde zelf echter, dat deze pogingen vruchteloos bleven, daar bij zich door nieuwe wreedheden meer dan ooit gehaat maakte.

De vrouwen en kinderen van de te Stokholm onthoofde edelen zuchtten in Denemarken in afgrijselijke kerkerholen, Gustaafs moeder en twee zijner zusters stierven daar, gelijk hij beweerde, een gewclddadigen dood. De Deensche bevelhebbers in Zweden ontvingen in last alle aanzienlijke Zweden, die zij in handen kregen, Ie laten vermoorden; dit deed ook de koninklijke bevelhebber van Abo, Thomas, die daar een nieuw bloedbad aanrichtte. Tot straf hiervoor werd hij opgehangen, toen hij. bij eene poging om Stokholm te ontzetten, in Zweedsche gevangenschap geraakte.

Al deze wreedheden vuurden den haat tegen Christiaan zoozeer aan, dat de boeren, hoewel zij den oorlog hartelijk moede waren, toch den strijd doorzetten; zij duchtten de wraak van den dwingeland en vertrouwden geene