Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bevordering van de hervorming. Hongersnood en pest.

die met geldgebrek te worstelen hadden, een navolgenswaardig voorbeeld. Wat was gemakkelijker dan de zuivere leer van Luther te omhelzen en daarbij door verbeurdverklaring van de geestelijke goederen goede zaken te maken? Gustaaf Wasa was tot zulk een stap des te eer geneigd, dewijl de rijke Zweedsche geestelijkheid steeds zeer Deensehgezind geweest was. Daarbij was hij gedurende zijn verblijf' te Lubeck met de Luthersche leer bekend geworden en had hij die uit volle overtuiging omhelsd.

Gustaaf was te verstandig en te voorzichtig om door eene onstuimige invoering van de hervorming zijn buitendien reeds gevaarlijken toestand nog Ie verergeren, voorshands verleende hij den Zweedschen hervormers slechts bescherming en poogde hij zelfs hun al te vurigen ijver te temperen.

De gebroeders Olaus en Laurentius Petri, die te Wittenberg gestudeerd hadden en Luthers leerlingen geweest waren, verkregen invloedrijke ambten Olaus werd prediker en stadsschrijver te Stokholm, Laurentius professor te üpsala en domproost van Strengnas, Laurentius Andreae, die insgelijks tot Luthers leer overhelde, werd Gustaafs kanselier.

De Luthersche leer verbreidde zich spoedig, maar toch niet zoo snel als Gustaaf wel wenschte; vooral de boeren sloten zich niet terstond bij de hervorming aan en zij beschouwden hel bijna als kerkroof, dat Gustaaf, die dringend geld noodig had, der geestelijkheid een aantal zware belastingen oplegde; hunne ontevredenheid nam nog toe, toen ook van hen thans drukkende belastingen geëischt werden, dewijl de staatsuitgaven dat gebiedend noodzakelijk maakten.

Eene vreeselijke ziekte, die vele menschen wegrukte, en een hongersnood, hel ge\olg van een mislukten oogst, schonken der verbitterde geestelijkheid eene goede aanleiding om die rampen als de straffe Gods voor 's konin-s ketterij af te schilderen.

Wel trachtte Gustaaf den nood zoo goed hij kon te lenigen, wel liet hij in Lijtland graan opkoopen, om het onder de armen van zijn rijk te verdeelen. maar dewijl hem de middelen ontbraken om dit op groote schaal te doen, en hij dus niet in staat was alle gebrek te doen verdwijnen, betoonde men hém daarvoor geen dank: de geestelijken en boeren noemden hem spottend den honger- en bastkoning.

Voor de geestelijkheid was deze volksramp eene nieuwe bron van macht en zij trok daarvan partij tegen den koning. Het ijverigst waren in dit opzicht twee hooge geestelijken werkzaam, die Gustaaf zelt tot hunne hooge waardigheden verheven had. De één was Petrus Jacobi, gewoonlijk Peter Sunnanwader genaamd, de voormalige kanselier van Slen Sture den Jonden, dien Gustaaf tot bisschop van Westeras benoemd had; de ander was de°vroegere domproost Knut, dien hij op den aartsbisschoppelijken zetel had geplaatst. Beiden predikten openlijk den opstand; door den koning van hunne ambten ontzet, vluchtten zij naar Dalecarlië en ruiden hier de Daalmannen, vroeger zijne trouwste aanhangers, tegen hem op; dezen dienden wel op hunne aansporing eene oneerbiedige klacht over de nieuwe belastingen in, doch tot een opstand waren zij niet te bewegen; de beide oproerige prelaten vluchtten thans naar Noorwegen, om de rechtvaardige straf voor hun schandelijk -"'dra» te ontgaan. " °

Gustaaf drong op hunne uitlevering aan en zijn eiscli werd ingewilligd onder voorwaarde, dat zij alleen door hun rechtmatiger! rechter zouden gevonnist w 01 den. De aartsbisschop O lol te Drontheim bedoelde daarmede de prelaten der kerk . dewijl de aangeklaagden priesters waren.

»Doch dit lag volstrekt niet in de bedoeling van Gustaaf. Hij liet hen beiden, zonder acht te slaan op het protest der aanwezige bisschoppen en van het domkapittel te Upsala, door den raad als verraders ter dood veroordeelen. en deze straf werd in weerwil van alle voorspraak voltrokken. De voltrekking van het vonnis werd voorafgegaan door eene vernederende behandeling van de

Sluiten