Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koel te-adem zuchtte, zoefde naar beneden, — de dag scheen niet te willen eindigen.

In die na-warmte verzwond alles, boomen, glooiwanden, verheuvelingen; alleen de wegen schemerden wit-doezelig als in zachte drooming.

Schuive-zacht vergleed de zon naar 't westen, zonk weg achter de groene bergruggen... Maar het bleef oplichten aan de hooge hemelen, die boven de warmte-troebeling vloeie-teêr verijlde, als opgewademde wadem, diafaan geweven van lichtdoorschijningen. Het late zonne-rood, zeverend door de spiegel-ijle lucht, kaatste terug op de sneeuw der verre bergen, die nogmaals verguld werden in laatste schater. En Jungfrau, Mönch, Eiger in hun drie-eenheid massief opwittend tegen de teere luchtespiegel, straalden nu plots in roze-rood van zwak Alpengloeien, dat even doorgloeide tot vlammerood, daarop verminderde, vergleed, — de zonopstraling al weer verder.

Het lichtgegolf, de minnehemel bleef, scheen niet te willen wijken voor de donkere nacht, die al in de diepte lag, daar wijlde, en van beneden op poeiervleug'len trachtte omhoog te drijven, maar nog niet verder steeg dan tot de eerste heuvelglooiingen.

Anna Paulowna en van Reelen gingen weer

Sluiten